Als het maar niet ordinair is
Door Rob van Essen
Gepubliceerd januari 2011, jaargang 14, nr. 132
Ik zal een jaar of acht geweest zijn toen ik voor het eerst zelfstandig een aankoop deed voor Moederdag. Een grammofoonplaat moest het worden.
De verkoper vroeg waar mijn moeder van hield. Tja, ik wist wel waar ze niet van hield. Klassieke muziek op het ‘radiodistributietoestel’, verstrekt door de PTT, werd altijd weggedraaid. ‘Begrafenismuziek’, zei ze dan.
‘Vrolijke muziek’, antwoordde ik maar. En zo ging ik naar huis met een lied dat nimmer de hitlijsten haalde, maar waarvan ik de eerste regel nooit zal vergeten. ‘Doe mij een lol, zet die pet niet op je bol, hoe kom je er toch bij, om zo’n gebakken ei te kopen?’
Vrolijk genoeg, maar ik ben bang dat mijn moeder het niks vond en hem alleen draaide omdat ze dacht dat ik het mooi vond…
Van thuis herinner ik mij de muziek van de Selvera’s en Gert Timmerman, niet van Johnny Jordaan, want dat vond ze – wonend in hartje Amsterdam – ordinair.
Wekelijks zong ik op de ‘Bijbelclub’ uit volle borst liederen van Johan de Heer. Begeleid op piano en elektrische xylofoon, met soms een gitaar, in blijmoedig ‘Zingende zusjes’-ritme. Toch heel wat opgewekter dan het klaaglijk psalmgezang waar ik later op de Veluwe mee kennismaakte. Het was trouwens grappig te ontdekken dat mijn hospita in Ermelo een zusje van de ‘Zingende zusjes’ bleek te zijn. Een collega leerling-verpleger was helemaal weg van Bach. Op zijn kamer hoorde ik voor het eerst de Matthäus Passion, een niet geringe cultuurschok.
Ik ben buitenkerkelijk opgevoed. Geloven betekende voor mij allereerst de vreugde van het zingen ontdekken. Waar wordt er, nu de socialistische strijdliederen verstomd zijn, nog gezongen door oud en jong? Ten tweede ontdekte ik de kracht van de taal, in verhaal en lied. Nog herinner ik me mijn verontwaardiging toen tante Annie vertelde over de priester en de leviet die de beroofde man hulpeloos lieten liggen. En de troost die het zingen mij bood – ‘Welk een vriend is onze Jezus’ – toen mijn pleegvader overleden was. Over taal gesproken, Boudewijn de Groot en Leonard Cohen waren voor mij minstens zo vormend als het te memoriseren psalmversje voor mijn christelijke vriendjes.
Ik weet heus wel dat er een benauwde manier van geloven is, waarin taal en lied nauwelijks kunnen ademen. Maar onderschat niet de gemeenschap-stichtende kracht ervan! Liederen en muziek overschrijden de grenzen van confessies en kerken. De liederen van Huub Oosterhuis en Willem Barnard zijn belangrijker voor de oecumene dan een nationale synode. Taal spoelt ook over de dogmatische dijken heen die opgeworpen werden om wat ‘anders’ is buiten te houden.
In de jaren zeventig waren mijn evangelische vrienden verontrust dat Henk van Ulsen (‘die is toch homo?’) het boek ‘Prediker’ voordroeg in onze kerk.
Muisstil werd het, want Gods woorden zijn niet kieskeurig.
‘Onder de groene hemel, in de blauwe zon’ ga ik gelovend en zingend het nieuwe jaar in. Het kan niet gek genoeg, als het maar niet ordinair is.




Sociale media
Follow @KerkDenHaag