Bien Bottelier: ‘Hopelijk mag ik nog een paar jaar blijven’
Door Nelleke de Jong-van den Berg
Gepubliceerd april 2011, jaargang 14, nr. 135
interview Van Bientje werd ze zuster Paul en vervolgens mevrouw Bottelier. Een tijdlang was ze non, daarna ontdekte ze de Haagse Ekklesia. Het levensverhaal van Bien Bottelier.

Foto Rogier Chang
Bien Bottelier: ‘De eerste keer dat ik in de Ekklesia in de kring zat, wist ik: dit is het voor mij.’
Op haar voordeur staat K.E.M. Bottelier. Klazina Eva Maria. Maar velen kennen haar als Bien Bottelier. Ooit was zij zuster Paul. Bien is geboren in 1915.
Thuis vonden ze Klazina te groot klinken, dat werd Bien, Bientje. Toen ze zeven was, stierf haar moeder. Haar vader, rooms-katholiek bovenmeester van een openbare lagere school in het Noord-Hollandse Halfweg, bleef achter met zeven zonen en vier dochters. Hij besloot dat Bientje met een zusje op kostschool zou gaan. In Aarle-Rixtel, bij Helmond, in de jaren twintig onnoemelijk ver van huis, maar met een tante die non was in hun nabijheid.
Sorbonne
Ze zit tenger in haar stoel, vertelt haar verhaal in korte zinnen. ‘Die verhuizing heeft grote invloed gehad op mijn leven. En ik kwam voor het eerst in contact met nonnen.’ Bij hen doet ze de lagere school en de mulo. ‘Ik wilde graag in het onderwijs, dus ging ik naar de kweekschool, in Tilburg, ook bij de nonnen.’
‘Ik was begeesterd van muziek en zingen. Er was één non die met ons zong en musiceerde; zó wilde ik ook worden. Langzaam rijpte het idee van intreden.’ Uiteindelijk vroeg ze haar vader om toestemming. ‘Hij moest huilen, maar zei: “Als God ons kind roept, heb ik niks meer te zeggen.”’
Ze valt stil bij de herinnering. ‘Twee maanden later ben ik ingetreden, bij de Zusters van Liefde, een onderwijscongregatie.’ Ze was negentien. Na haar noviciaat werd ze in Den Haag geplaatst. Al snel werd ze lerares Frans op een middelbare school.
‘Ik vond: als ik het goed wil doen, moet ik goed bevoegd zijn. Daarom ben ik een periode naar Parijs geweest, ik heb gestudeerd aan de Sorbonne. Daar hadden ze liever niet dat ik in mijn nonnenkleren kwam, dus ging ik erheen met een rok en een bloesje en een jurk uit de toneelkast.’
D’ruit!
Daarna werd ze overgeplaatst naar Den Bosch. ‘Je gehoorzaamde de overste.’ Een mooie herinnering: ze richtte er een leerlingenkoor op, de Hertogzangertjes, met wie ze meedeed aan concoursen. Ze heeft er nog een foto van, genomen in een studio van de Avro.
Na weer een overplaatsing, terug in Den Haag, begon ze te twijfelen. ‘Aan het godsbeeld, en over de hypocrisie van het kloosterleven. Ik had een gelofte van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid afgelegd. Maar we verdienden hetzelfde als leken, dat geld vloeide in de kas van het klooster. Naar buiten waren we de arme zusters van liefde, men gaf ons cadeautjes. Een medezuster zei eens: “Ik zou me dood schamen als mijn vader dit zag.”
Wat stelde het nog voor? We gingen in burger, droegen niet langer de ronde witte kap, het zwarte habijt. De stilte verdween uit het klooster. Maar ik veranderde zelf ook. Ik kon niet meer geloven dat de Heilige Geest Maria zwanger had gemaakt – stoute Heilige Geest! Voor mij was God steeds meer... liefde, alleen maar universele liefde. Terwijl het er in het klooster soms liefdeloos aan toeging. Vriendschappen waren verboden. En die titels: eerwaarde moeder, eerwaarde zuster...
Ik vond, als ik eerlijk wil zijn’ – ze maakt een kordaat handgebaar – ‘d’ruit!’
Eigen voordeur
Ze sprak met haar overste, en besloot uiteindelijk, ze was achtenvijftig, uit te treden.
‘Ik stond al zo,’ ze frutselt ook nu aan haar ring, ‘maar de overste zei: “Ik ga niet over jouw verhouding met God.” Ja, die was niet veranderd. Ik stond alleen als een ander mens in de wereld.’
Ze prijst zich gelukkig dat ze destijds op het Edith Stein College werkte. ‘Ik heb veel steun gehad van collega’s en van de rector.
“Hoe gaan we u nu noemen?”, vroeg hij. “Geen juffrouw, dá’s zo’n stomme benaming.”’
Zo werd zij mevrouw Bottelier. Via de vader van een leerling, die makelaar was, kon ze het bovenhuis huren waar ze nog altijd woont en kreeg ze ‘een eigen voordeur’.
Door haar zus in Amsterdam kende ze het fenomeen ‘basisgemeente’, in de jaren tachtig ontstane zelfstandige kerken met grote aandacht voor sociale rechtvaardigheid.
‘Ik hoopte dat er in Den Haag ook zoiets zou zijn. En dat was er: de Ekklesia. De eerste keer dat ik daar in de kring zat wist ik: dit is het voor mij. Het is oecumenisch en er is ruimte voor ieders inbreng. We doen veel samen met de Lukaskerk, zoals de Dominicusvieringen. Dan geven we elkaar brood en wijn, dat is mooi. Als het mij gegeven is nog een paar jaar te blijven...’
Dooie boel
Een paar jaar geleden ging het niet zo goed met Bien. Sindsdien heeft ze een groepje goede vrienden en vriendinnen om zich heen. ‘Daar gaat het om, hoe wij in liefde met elkaar omgaan, aandacht hebben voor de ander.’ Met hen heeft ze alvast haar begrafenis doorgesproken.
‘Ik was op de begrafenis van een goede vriendin, vreselijk, dat was zó’n dooie boel! Bij mij moet het alleen maar over de liefde gaan – anders zou ik me doodergeren.’
Nu schiet ze in de lach. ‘Met mooie muziek en met teksten van Hildegard von Bingen.’
Lievelingslied van Bien Bottelier
Van uit de diepte tot hoog in de sterren
overvloeit de liefde.
Alles en allen wijdt zij zich toe
in zorg en in aandacht,
liefhebbend ieder, waar ook op aarde.
Want was het niet zij, die de Allerhoogste, de Enige,
een kus gaf, de kus van de vrede.
Tekst: Hildegard von Bingen.




Sociale media
Follow @KerkDenHaag