Archief
Jaargang:

Bijbels QRS

Bijbels QRS: Leven en dood

Door Margreet R. Klokke
Gepubliceerd mei 2009, jaargang 12, nr. 116

Bijbels QRS De bijbel staat vol woorden. Gedurende de geschiedenis heeft de mens, de kerk, die woorden een eigen leven ingeblazen. En er woorden aan toegevoegd, die bij nader inzien helemaal niet in de bijbel staan.

Leven en dood zijn in de bijbel geen puur biologische begrippen. Iemand van wie de hartslag het doet, is daarmee nog niet levend – in de volle betekenis van dit bijbelse begrip. En iemand die zijn laatste adem heeft uitgeblazen, is daarmee nog niet dood – in de bijbelse zin van het woord.

 

Kijk om te beginnen eens naar Genesis 2: 4b - 7. Een gedeelte uit het tweede scheppingsverhaal. Dit gaat heel anders dan het eerste en zoveel bekendere scheppingsverhaal, over de zeven dagen.

‘In de tijd dat God, de Heer, aarde en hemel maakte, groeide er nog geen enkele struik en was er nog geen enkele plant opgeschoten, (…); wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus.’

Hier schept God de mens niet door zijn woord, zoals in Genesis 1. Hij zegt niet: ‘Laten wij mensen maken…’, en dan zijn ze er. Nee, hij schept de mens door te kleien. Er is water, en er is aarde. Daar boetseert hij de mens van. Maar als deze de juiste vorm heeft, leeft hij nog niet. Dat gebeurt pas, als God hem de levensadem in de neus blaast. Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, is ‘ruach’. Dit kan vertaald worden met wind, adem of geest.

Datzelfde woord werd ook al gebruikt in Genesis 1: 2. ‘De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.’

Het lijkt erop, dat de levensadem die de mens in zijn neus geblazen krijgt, dezelfde is als de geest van het begin. Leven is dan zoiets als geïnspireerd zijn. Of, met andere woorden: deel krijgen aan Gods geest.

 

Ditzelfde staat ook in Deuteronomium 30: 15, een gedeelte uit de afscheidstoespraak van Mozes. Vlak voor zijn dood zegt hij tegen het volk Israël: ‘Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. Wanneer u zich houdt aan de geboden van de Heer uw God, (…) door hem lief te hebben, door de weg te volgen die hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de Heer uw God u zegenen (…). Maar als u hem de rug toekeert en weigert te luisteren, (…) dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Uw verblijf aan de overkant van de Jordaan (…) zal dan van korte duur zijn.’

Wanneer Israël zich openstelt voor Gods geest, zal het leven, in de zin van gezegend zijn. En wanneer het zich afkeert van God, zal het niet in biologische zin sterven, maar buiten het beloofde land komen te staan.

Nadat Mozes dit gezegd heeft, gaat hij heen. Maar er is van hem nooit ergens een graf gevonden. Alsof de bijbelschrijver wil zeggen: leven, zoals Mozes, in Gods geest, maakt dat je altijd toekomst hebt.

 

Tegen deze achtergrond is het dan ook goed te duiden, wat Johannes bedoelt, wanneer hij Jezus de volgende woorden in de mond legt: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven.’

 

Leven en dood zijn geen puur biologische begrippen in de bijbel. Leven is met God wandelen. En dood zijn is los van hem staan. Elk van ons heeft wel momenten van wandelen met God. Daar hoef je helemaal niet al te gelovig voor te zijn. In die momenten zit veel leven, veel toekomst, en volgens Johannes zelfs eeuwig leven.

 

Margreet Klokke, predikant van de Kloosterkerk, en Trinette Verhoeven, predikant van de Lutherse Kerk, schrijven om beurten een aflevering van deze theologische rubriek. De titel is een knipoog naar het befaamde boek ‘Bijbels ABC’ van K.H. Miskotte.

 

 

| |