Kerk vraagt aandacht voor Palestijnen
Brief aan Israël van een ‘kritische vriend’
Door Jan Goossensen
Gepubliceerd april 2010, jaargang 13, nr. 125
Nieuws De brief van de PKN aan de Israëlische ambassadeur heeft veel stof doen opwaaien. ‘Je stapt snel in een valkuil’, meent de Haagse predikant Casper van Dongen.
De Protestantse Kerk in Nederland heeft het geweten, toen ze in februari een brief stuurde aan de regering van Israël. Omdat de kerk zich ‘onopgeefbaar verbonden’ voelt met het joodse volk, aldus de brief, wil ze als een kritische vriend aandacht vragen voor het lot van de Palestijnen. Palestijnse christenen, met wie de PKN zich ook verbonden voelt, hadden de kerk daar op aangesproken.
Uit de brief: ‘Wij willen u oproepen uw macht zodanig aan te wenden, dat u een positieve doorbraak creëert in de verhouding tussen het Joodse en het Palestijnse volk.’ Het volkerenrecht, dat in 1948 ook de oprichting van de staat Israël mogelijk heeft gemaakt, ‘dient daarom ons inziens ook leidend te zijn in de wijze waarop u uw nabuurvolk tegemoet treedt en behandelt’.
De brief bepleit drie concrete acties. De afscheidingsmuur tussen Israël en de Palestijnse gebieden, die voor een deel op Palestijns grondgebied staat, moet worden verplaatst; het bouwen van nederzettingen op de bezette Westoever moet stoppen; Palestijnen moeten meer ruimte krijgen hun woonwijken uit te breiden.
Enkele, ook buitenlandse, organisaties hebben de brief van het PKN-bestuur opgevat als een frontale aanval op de levensvatbaarheid van Israël. De PKN zou haar morele kompas zijn kwijtgeraakt. Andere reacties wijzen erop dat sommige critici wel erg selectief hebben gelezen. Nergens legt de PKN alle schuld voor het Midden-Oostenconflict bij Israël, in tegenstelling tot wat de Israëlische ambassadeur in Den Haag heeft geschreven.
Recht op eigen staat
Casper van Dongen, predikant in het Benoordenhout, verdiept zich al jarenlang in de joodse wortels van het christendom. Ook bezoekt hij regelmatig Israël. Gevraagd naar zijn mening over de brief van de PKN, wijst hij erop dat de Hervormde Kerk in 1951 als eerste kerk ter wereld de verbondenheid met het Joodse volk opnam in haar kerkorde. ‘We hebben een traditie hoog te houden’, zegt hij. In een synodale handreiking uit 1970 werd die verbondenheid nog eens uitgewerkt door over Israël te spreken als ‘volk, land en staat’. Tegelijk werd het recht op een eigen staat gerelativeerd. ‘Het Joodse volk heeft eeuwen in het beloofde land gewoond zonder dat van een onafhankelijke eigen staat sprake was. Dat is dus mogelijk: Israël als volk met een land, maar zonder staat.’ Maar op dat moment, 1970, was volgens de hervormde synode een vrije staat de enige mogelijkheid om het volksbestaan te waarborgen.
Vak apart
Tegen die achtergrond vindt Van Dongen het enerzijds dapper dat de kerk zich in het Midden-Oostendebat mengt, dat ‘onvoorstelbaar ingewikkeld’ is. Anderzijds ‘kun je ook dapper zijn door te zwijgen, opdat je later nog dapperder kunt spreken’. In zijn algemeenheid vraagt hij zich af of de kerk wel een instantie is die bij machte is over het goede gereedschap te beschikken om in dit geval iets te bereiken. ‘Het is toch een vak apart om alle nuances van het conflict tussen Joden en Palestijnen goed te begrijpen.’ Hij vraagt zich af of de kerk er verstandig aan heeft gedaan deze brief te schrijven. ‘Ik weet het niet.’
En als de kerk zich meende tot Israël te moeten richten, ‘heeft men dan ook ingecalculeerd hoe de publieke opinie op zo’n brief zou reageren? Want de kans is immers groot dat de intenties niet goed begrepen worden. Heeft men bijvoorbeeld deskundige diplomaten geraadpleegd? Je stapt snel in een valkuil. Binnen de kerken heerst er een redelijke tolerantie om gevoelige onderwerpen ter sprake te brengen. Maar buitenstaanders reageren veel heftiger. Misschien had men eerst uitvoerig het gesprek moeten aangaan met joodse partners in Nederland. De joods-christelijke dialoog kan nooit sterk genoeg zijn.’
Brede blik
Dat de brief aan de Israëlische ambassadeur veel vragen oproept, bewijst het vervolg. Na alle reacties heeft de PKN half maart een verklaring gepubliceerd waarin enkele passages worden verduidelijkt. De brief wordt gehandhaafd. Om de brede blik van de PKN te demonstreren besluit de verklaring als volgt: ‘Het moderamen [bestuur] zal ook in de toekomst vragen blijven stellen over de situatie van de Palestijnen, zoals wij ook onze stem zullen verheffen wanneer het bestaansrecht van Israël ter discussie wordt gesteld of wanneer er sprake is van antisemitische uitingen in onze samenleving.’
Brief en nadere verklaring van de PKN
Zie ook:
Dries van Agt over toekomst van israël en Palestijnse volk
Toespraak Duitse predikant op joodse herdenkingsdag




Sociale media
Follow @KerkDenHaag