Daar lig je dan
Door Rob van Essen
Gepubliceerd april 2009, jaargang 12, nr. 115
‘Ik leef nog’ – dat realiseerde ik mij in de ambulance op weg naar het Westeinde ziekenhuis. ‘U bent aangereden door een auto’, zei de broeder. Ik lag vastgesnoerd en kon mijn hoofd niet bewegen. Pijn in mijn nek en een gevoel of mijn gezicht in brand stond.
Een kwartier eerder had ik ‘tot straks’ geroepen en liep ik naar mijn auto. Die had ik dus niet gehaald en in het ziekenhuis bedacht ik mij dat de ZWO-commissie niet wist waar ik bleef.
Er werden röntgenfoto’s gemaakt en ik ging door een scan: ‘We zien iets aan uw nekwervel, u moet wachten op de specialist.’ Inmiddels zat mijn engel naast mij en zij belde naar de kerk dat de dominee even verhinderd was.
Tegen middernacht kon ik mijn zegeningen tellen: de bewoonster van het huis bij de oversteekplaats die 112 had gebeld en mij – ik was bewusteloos – warm had gehouden met een deken. Twee ambulances die razendsnel ter plekke waren. Voorbeeldige zorg in het Westeinde. Toch nog in mijn eigen bed, en mijn privé-verpleegster die mij elk uur moest wekken. Het ‘tot straks’ was sneller geweest dan ik had kunnen vermoeden.
Daar lig je dan. Ineens is je agenda leeg. ‘Kan ik even langs komen?’ vragen je kinderen en vrienden. Natuurlijk kan dat, want nu hoeft er even niets meer. Nou ja, je moet vooral rusten en niets forceren, zegt iedereen. En terwijl allerlei mensen zeggen en schrijven dat ze je missen, merk je dat je best gemist kunt worden. Collega’s nemen de preekbeurten over. Sity, die stage loopt, doet de nodige pastorale bezoeken en binnen het cluster zorgen de collega’s ervoor dat er geen werk blijft liggen. Aangezien ik lastig het hoofd kan draaien, is mijn engel de chauffeur als we naar de dokter moeten.
Nu merk ik aan den lijve dat het makkelijker is te helpen dan geholpen te worden. En eigenwijsheid wordt direct afgestraft. Als ik mijn kleinzoon, een stevige knul van zeven, optil (kan ik heus wel), betekent dat twee dagen een dubbele dosis pijnstillers.
Inmiddels zijn mijn spieren weer bijna zoals die van een man van zestig horen te zijn, zei mijn fysiotherapeut bemoedigend. Twee keer per week vertrouwde ik hem hoofd en hals toe en wisselden we ervaringen uit.
‘Ons werk heeft veel gemeenschappelijk, we zijn allebei met de hele mens bezig’, zei hij.
Dat in reactie op mijn opmerking dat de ruimte die zijn handelen in mijn spieren creëerde mij ook innerlijk rust gaf. Daar lig je dan en weer is er iemand – je kende elkaar niet – die met hart en handen heling bewerkt.
Ik ben weer voorzichtig begonnen en heb de regie weer in handen genomen. Zo’n veertig dagen een lege agenda en engelen op mijn wegen: ze wonen op de hoek, rijden in ambulances, werken in ziekenhuizen en gezondheidscentra. Ook nu ik niet meer lig, hoop ik te blijven beseffen hoeveel wij te danken hebben aan Gods grondpersoneel. En bedankt voor de bloemen!




Sociale media
Follow @KerkDenHaag