Archief
Jaargang:

De vrije wil van Louis Berger: ‘Wij zijn een door God gezegend gezin’

Door Jan Goossensen
Gepubliceerd september 2009, jaargang 13, nr. 118

Interview Oorspronkelijk. Onafhankelijk. Twee woorden die Louis Berger typeren, pastoor in Loosduinen. Een interview met een man die op het punt staat het verhaal van zijn leven op te schrijven.

Louis Berger: ‘Met deze parochie gaat het gelukkig goed. Een verstilde wijk? O nee.’

Foto Rogier Chang

Louis Berger: ‘Met deze parochie gaat het gelukkig goed. Een verstilde wijk? O nee.’

Louis Berger, pastoor van de Pastoor van Arskerk, zit in een gemakkelijke feauteuil. Niet in zijn spreekkamer, maar buiten, in het zonnetje, op het asfalt. Naast hem weelderige struiken. Zijn hond Obelix ligt aan zijn voeten. Vanuit het groen komt een roodborstje aangetrippeld. ‘Dat is mijn vriendje. Hij komt altijd naar me toe als ik hier zit.’ Het idyllische plaatje wordt verstoord door een aanstuivende brommer. Het is de krantenbezorger, die de NRC aanreikt. ‘Een aardige neger.’

 

De pastoor beschrijft zijn garderobe. ‘Mijn schoenen zijn van paardenleer, komen uit New York. De sokken komen uit Engeland. De broek is van Pelger, mijn hemd met priesterboord van een rooms verzendhuis, het jasje komt uit Salzburg en de hond is ook uit Oostenrijk. Ja, ik kom regelmatig in Oostenrijk. De aartsbisschop van Wenen, Schönborn, is een vriend van mij. Hij heeft het moeilijk. 

Ik houd van reizen. Daardoor leef ik. Mijn ouders namen me vaak mee. Mijn vader had een bank, een bankje. Als hij relaties bezocht, mocht ik mee. Naar Brussel, Frankfurt, Milaan. Mijn moeder komt ook uit een bankiersfamilie.

In de Tweede Wereldoorlog ben ik als kind in Wassenaar, waar mijn ouders woonden, misdienaar geworden. Ondertussen leerde ik Latijn, want ik wilde de teksten begrijpen die ik hoorde. Naast ons huis lanceerden de moffen vanuit een tuin bommetjes, de V 1’ s naar Londen.

Onder een rode treurbeuk

Na een studie rechten heb ik in Leiden theologie gestudeerd, temidden van hervormden en remonstranten. Ik was er de enige paap. In Leiden heb ik goed de bijbel leren lezen. We kregen er college van Sirks, een hoogleraar die in de Hortus, onder een rode treurbeuk, les gaf. Als we in die tuin waren, ging hij altijd boven op een bijbel zitten.

Ook later heb ik altijd met protestanten opgetrokken. Hier vlakbij staat de remonstrantse kerk. Ik ken hun voorgangers. Jullie hebben ook het principe van de vrije wil, heb ik hun gezegd. Net als wij rooms-katholieken. Luther en Calvijn zagen altijd het slechte van de mens. Katholieken doen dat niet. Wij hebben ook een vrije wil. Al laten we ons soms door de duivel verleiden, we hebben een goede kern. En als we fouten maken, vergeeft de Heer ons. De liefde van de Heer is de rode draad in mijn leven.

Vanaf de eerste klas van de lagere school ben ik voortdurend verliefd geweest. Ik ben getrouwd met een Amerikaanse. We hebben elkaar in de trein ontmoet. Zij droeg een mand, waarin een groot paasbrood lag. Can I buy you a cab?, vroeg ik. Zo begon de liefde. In Wassenaar zijn we getrouwd. Daar is ook het kind geboren, een zoon. Korte tijd later voltrok zich een ramp: de moeder werd ziek, haar gezichtsvermogen ging sterk achteruit. Op dit moment gaat het gelukkig weer iets beter.

Samen zijn we naar New York gegaan. De zoon is gepromoveerd in Harvard. Hij is theoloog en bovendien gespecialiseerd in Chinese letterkunde. Momenteel schrijft hij een boek over de bijbel.

Toen de zoon achttien was, zijn we gescheiden. Met een uitspraak van de bisschop van Rotterdam is het huwelijk nietig verklaard. “Ben ik nu een bastaard”, vroeg het kind. “Natuurlijk niet”, zei ik. De scheiding was een voorwaarde om priester te kunnen worden. Ik wilde dat dolgraag, en mijn vrouw steunde mij daarin. Ik teken alles, zei ze. Het klinkt gek, maar daardoor zijn we naar elkaar toegegroeid. Ik bezoek haar regelmatig. Ik beschouw mezelf verantwoordelijk voor vrouw en kind. Wij zijn een door God gezegend gezin.

Contraspionage bij de Duitsers

In 1989 heeft bisschop Bär mij tot priester gewijd. Ik ben met hart en ziel priester. Het is verrukkelijk werk. Ik heb er nooit twijfels over gehad. Als priester wil ik de Heer bij de mensheid brengen. De oudste die ik gedoopt heb, was 75 jaar. Ik herinner me een man van 93, een verzetsheld uit de oorlog die in de contraspionage bij de Duitsers, bij de SS, had gewerkt. Voordat hij stierf, heb ik hem vier uur biecht afgenomen.

Met Philippe Bär ben ik bevriend gebleven. Right or wrong, he is my friend. Toen hij tachtig werd, heb ik voor veertig vrinden aan het Voorhout een diner georganiseerd: deftige freules, Indische mensen. Vanuit het bisdom is aan zijn verjaardag niets gedaan. Vreemd, want hij heeft toch veel voor het bisdom betekend.

De kerk heeft nieuw elan nodig. Ik bid er de Heilige Geest dagelijks om. Ik ben zeer op Benedikt gesteld. Zeker, ik zeg Benedikt. Zoals ik ook spreek over paus Jan Paul. En over bisschop Adriaan. Ik houd niet van het verlatiniseren van namen. Benedictus, Johannes Paulus, Adrianus, idiote namen zijn dat, zo verschrikkelijk ultramontaans.

Het elan moet komen van alle trouwe werkpaarden van de heilige kerk. Neem de vice-voorzitter van deze parochie, een enig mens. Zij heeft een cursus spreken in het openbaar gevolgd. Ook heeft ze theologie gestudeerd, op mijn aanraden.

Ik ben ervoor dat priesters hun preken niet van een papiertje voorlezen. Ze moeten de mensen vrolijk aankijken. Anders wordt het broddelwerk. Ik probeer in een viering blijheid te brengen. Geloven is blijheid, en dat moet worden aangewakkerd. Mij lukt dat. Af en toe een kwinkslag. De kerkgangers hangen aan mijn lippen.

Met deze parochie gaat het gelukkig goed. Een verstilde wijk? O nee. Er is een bloeiend jeugdkoor. Half augustus heb ik vier kinderen ontvangen, hun de communie uitgelegd en hen gevormd.

De liturgie moet voor alles schoon zijn. Daarom hecht ik aan het Latijn. Hoezo achterhaald? Het is een oude taal, waar we nieuw leven in moeten blazen. Neem de Russische kerk. Haar kracht is de oude Slavische liturgie. Dat is gebleken, ondanks de onderdrukking ten tijde van de communisten.

Opvallende verschijningen

De Blauwe Zusters, die in Brunssum een kloostertje hebben, trekken dit najaar bij ons in de kerk in. Het was een idee van mij, dat de bisschop heeft overgenomen. Ze vestigen hier een stadsabdij, een filiaal van Brunssum, van drie nonnen. Twee Blauwe Broeders komen er ook bij, die gaan elders in een pastorie wonen.

Tot volgend jaar blijf ik hier pastoor. Daarna nemen zij het werk van mij over: het geloof verkondigen, te pas en te onpas, de catechese verzorgen. Het worden opvallende verschijningen, in hun blauwe pakjes.

Ik wil, als ik vertrokken ben, een boek schrijven. Schrijf je levensverhaal eens op, zegt mijn zoon. Ik ben nu al bezig met vingeroefeningen, in het parochieblad.

Onze kerk is een prachtig gebouw. De architect, Aldo van Eyck, heeft me gezegd: “U bent eindelijk een pastoor die mij begrijpt.” Ik ga met het gebouw om als met mijn eigen huis. Dat is het natuurlijk ook. We krijgen veel bouwkundestudenten op bezoek, uit Japan, China, Zuid-Amerika. Ze vinden het allemaal prachtig. Er gebeurt hier veel. Er is muziekles, het vrouwengilde vergadert er, er is een grote koffieruimte. Van Eyck heeft een mooie kerk gebouwd. Alleen jammer dat het dak vaak lekte. Gelukkig is het nu gerepareerd.’

----------------------

Pastoor van Ars model voor alle priesters

 

Paus Benedictus XVI heeft het ‘jaar van de priester’ afgekondigd, dat nog loopt tot juni volgend jaar. Speciale aandacht vraagt hij voor Johannes Maria Vianney, een legendarische pastoor uit het Franse Ars die 150 jaar geleden overleed. Hij is uitgeroepen tot patroon van alle priesters in de hele wereld.

Volgens de paus is het herdenkingsjaar bedoeld om het belang van de ‘morele volmaaktheid, die in ieder authentiek priesterlijk hart moet wonen, onder de aandacht te brengen’.

In Den Haag staat een kerk, gewijd aan de pastoor van Ars. De priester die er de scepter zwaait, is Louis Berger.

 

Nummer vol verhalen

Dit septembernummer van Kerk in Den Haag staat in het teken van ‘verhalen’.

Verhalen vertellen, lezen, uitleggen, uitwisselen en aanhoren.

Levensverhalen en bijbelverhalen, en de relatie tussen beide.

Kortom, een nummer om op verhaal te komen.

Waarom word ik zo moe van mijn werk? Levensverhalen en bijbelverhalen.

Geen papieren, geen toekomst: schrijnende verhalen

Verhalentafel: ouderen gezocht om over de Haagse kerk van vroeger te vertellen

Op je matje de storm op het meer beleven: yoga met bijbelse verhalen

Nico ter Linden en Lija Hirsch laten het Jozefverhaal klinken

 

 

| |