Archief
Jaargang:

Haagse dichters op eenzame begrafenissen

Dichteres Ruth van Rossem: ‘Geen mens mag zomaar ongezien dood’

Door Hans Hemmes
Gepubliceerd november 2009, jaargang 13, nr. 120

Interview Een zonderlinge vrouw, een illegale Chinese man. Mensen die zonder nabestaanden stierven. Bij zo’n eenzame uitvaart draagt een ‘dichter des doods’ een gedicht voor.

Ruth van Rossum: ‘Een mens heeft geleefd, daar moet bij stilgestaan worden. Noem het een teken van beschaving.’

Foto Rogier Chang

Ruth van Rossum: ‘Een mens heeft geleefd, daar moet bij stilgestaan worden. Noem het een teken van beschaving.’

Er bestaat in Den Haag een ‘poule des doods’. Dat zijn vijf dichters die optreden op ‘eenzame uitvaarten’, begrafenissen zonder nabestaanden. De ‘dichter van dienst’ verzorgt de muziek en draagt een speciaal geschreven gedicht voor. Na de sobere plechtigheid wordt de overledene naar zijn of haar laatste rustplaats gedragen.
Ruth van Rossum, in het dagelijks leven ambtenaar bij de provincie Zuid-Holland, is een van die dichters.

‘Het is de oorsprong van de poëzie. Het eerste gedicht dat ooit werd geschreven was een lijkzang op een overleden held. Een gedicht is verstilling, rust, pauze, door laten dringen. Troost? Voor wie dan?
Het bijzondere van een eenzame uitvaart is dat de gemeenschap weg is. Ik doe het uit respect voor de overledene. Niemand mag ongezien dood. Een mens heeft geleefd, daar moet dan ook bij stilgestaan worden. Noem het een teken van beschaving.
De gemeente belt me als er iemand gestorven is en ze geen nabestaanden kunnen vinden. Ik heb dan maar een paar dagen om een gedicht te maken. Dat is best spannend: werken met een deadline. Ik probeer me een beeld te vormen van hoe iemand was. De informatie die je krijgt is beperkt. Je hoort of iemand getrouwd is, of gescheiden. Soms een telefoonnummer van een buurvrouw die je kunt bellen. Die kan dan vertellen hoe het huis eruit zag. Ik ga ook wel eens rondkijken in de buurt waar de overledene gewoond heeft.

Vuilniszakken
Er gebeuren verrassende dingen. Bij mijn eerste gedicht bijvoorbeeld. Een vrouw was dood gevonden in haar huis. Ze was een zonderling geworden; de muren in haar huis waren beplakt met vuilniszakken. Op de begrafenis kwamen een buurman en een oude vriendin van de vrouw elkaar tegen. Die konden niet geloven, dat ze dezelfde vrouw hadden gekend. Dat was ook het thema van mijn gedicht: dat ze begonnen is zoals wij allemaal. Maar ergens onderweg ging het mis. Haar bestaan brokkelde af.
Heel tragisch was de illegale Chinese man die zich had opgehangen aan een boom in het Zuiderpark. Dat zet je aan het denken. Hoe erg is het, als je nergens terecht kunt. Als je bang bent om op straat te zijn. En hoe normaal het is voor ons, om vrij in de stad, zelfs in het stadhuis, rond te lopen. Ik vond het schrijnend, die uitzichtloosheid van het bestaan. Een week na de begrafenis dook opeens zijn vrouw in China op. Ze had een oproep in een Chinese krant gelezen. Ik weet niet of ze haar mijn gedicht, vertaald, hebben opgestuurd.

'Dit werk is mooi en bizar tegelijk.'

Foto Rogier Chang

'Dit werk is mooi en bizar tegelijk.'

Requiem
Het is de ene keer emotioneler voor me dan de andere. Maar altijd begint het met flarden van gedachten. Het gedicht schrijft zich daarna vanzelf. Zo luisterde ik naar een uitvoering van een Requiem in de periode dat ik de Chinese man moest begraven. De eerste woorden van het gedicht kwamen in me op en ik krabbelde ze op het programmaboekje. De ochtend daarna heb ik het uitgewerkt.
Dit werk is bizar en mooi tegelijk. De overledene zou er meer aan gehad hebben als je toen hij nog leefde koffie met hem had gedronken. Toch is het ook zinvol.’

www.eenzameuitvaart.web-log.nl

Ruth van Rossum publiceerde Eilandranden, uitgeverij Holland-Haarlem.


Herbergzaamheid

Er is een wereld van thuiskomen, brood om te delen
aan een tafel, de kinderen in bed gelezen, het licht
uitdoen beneden als je slapen gaat, de koffie alvast
klaargezet, gebouwen waar je binnen mag, gezien.

Er zijn andere werelden die door deze wereld lopen.
Meestal wel aan eten kunnen komen, onopvallend
leven, ergens een bed hebben, niet achtervolgd, in
de schemer iets verdienen, mensen die je kennen.

En er is het riool. Ondergedoken als een rat in leven
zien te blijven. Kruipen langs de plinten. Niemand in
de ogen kijken. Nooit verslappen. Er niet mogen zijn.

Is dan herbergzaamheid een touw, een boom in het
donker van een park, een afgelegen plek om ermee
op te houden als er nergens nog wereld is voor jou?

 

Gedicht van Ruth van Rossum bij de begrafenis van een illegale Chinese man, 18 mei 2009.

 

| |