Archief
Jaargang:

Discussie christendom en islam: ‘Jezus is ook onze profeet’

Door R. de Jong
Gepubliceerd februari 2011, jaargang 14, nr. 133

Opinie Bijdrage aan de discussieserie: 'Christendom en islam vertellen verschillende verhalen.'

1 Eerst over de aangegeven titel van het onderwerp. In de Bijbel komen erg veel verhalen voor, maar in de Koran staat er eigenlijk maar één compleet verhaal, namelijk dat van Jozef, de zoon van aartsvader Jacob (soera 12 ). Commentatoren wijzen erop dat de geschiedenis van Jozef (Yusuf) erg veel lijkt op de geschiedenis van Mohammed zelf. Ook hij kwam na verguizing door zijn broeders, later tot groot aanzien.

2 Het lijdt geen twijfel dat Abraham in de Bijbel dezelfde is als Ibrahim in de Koran. Abraham in de Bijbel had twee zonen, Ismaël en Izaäk. In de Bijbel krijgt Abraham opdracht om Izaäk te offeren, maar in de Koran krijgt Ibrahim opdracht om Ismaïl te offeren (soera 37). In beide gevallen gaat het offer niet door. Een ram wordt plaatsvervangend  geslacht, wat in de islam leidt tot het offerfeest. In de Bijbel zou dit gebeuren naar het offer van Christus verwijzen.

3 In de Koran komen zowel de namen God en Allah voor. Christenen in het Midden-Oosten en in Indonesië spreken God ook aan als Allah.

4 De wijzen waarop de Bijbel en de Koran als boeken tot stand zijn gekomen vertonen veel overeenstemming. Ze zijn geen van beide uit de hemel komen vallen, maar teksten zijn door geïnspireerde mensen gedicteerd en door secretarissen opgeschreven. In beide religies zijn veel teksten als apocrief buiten de canon gebleven.

5 In de Bijbel is het Woord vlees geworden (Joh.1). In de islam is het Woord boek geworden. ‘Het Woord was in den beginne bij God en het Woord was God’, schrijft Johannes. In de islam wordt er al eeuwenlang gediscussieerd over de vraag of de Koran van ‘eeuwigheid’ is of ‘in de tijd’ tot stand gekomen. Orthodoxen geloven het eerste, “vrijzinnigen” het laatste. Orthodoxen verwijzen voor hun opvatting naar soera 13:39 van de Koran, waar staat dat de “matrijs” (= moeder) van de Schrift bij God ligt, op de “welbewaarde tafel”(ook Soera 85:22). Vrijzinnigen wijzen erop dat er in de Koran soms contemporaine gebeurtenissen worden beschreven die elders in Arabië hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld in de soera’s 30 en 105. En in soera 111 wordt zelfs een van Mohammeds vijanden bij name genoemd.

6 De tekst van de Koran is volgens orthodoxe opvatting in het Arabisch neergezonden. Daarmee zou het Arabisch een heilige taal zijn geworden. Vrijzinnigen wijzen erop dat in de Koran met eerbied gesproken wordt over bijbelse figuren. Tot hen zou God destijds in het Hebreeuws, in het Aramees of in het Grieks hebben gesproken. God spreekt immers tot mensen in de taal die zij verstaan. Prof. Aboe Zaid (moslim) stelde de retorische vraag:”Spricht Gott nur Arabisch ?”

7 Voor gelovige moslims is de Arabische tekst van de Koran van “kaft tot kaft” Gods woord. Schrift- en tekstkritiek zijn absoluut verboden. Vertalingen van die tekst in een andere taal worden als “commentaar”op de heilige Arabische tekst beschouwd. Er zijn seculiere taalwetenschappers (linguïsten) die in sommige koranverzen Griekse, Syrische en Aramese invloeden kunnen aanwijzen. Omdat die wetenschappers daarmee de goddelijke oorsprong van de Arabische Korantekst in twijfel trekken, vinden zij onder gelovige Moslims geen gehoor.

8 Er is veel publiciteit geweest rond het boek “De duivelsverzen” van Salman Rushdie. De term duivelsverzen kan worden gevonden in een commentaar op soera 53: 19 en 20. Op vers 19 zouden de zogenaamde duivelsverzen gevolgd zijn die als volgt geluid zouden hebben:  ”Dit zijn  de hoogverheven zwanen, en op hun voorspraak wordt voorzeker gehoopt”.
Volgens de islamitische overlevering heeft Mohammed, op aandrang van de Mekkanen en Satan, de in vers 19 genoemde vrouwelijke afgoden willen erkennen. Mohammed heeft die fout later erkend en daarom werden die duivelsverzen ‘geabrogeerd’(geschrapt). Het betreft hier een gevoelig punt: was het niet juist Mohammed die de eenheid van God benadrukte, fel tekeer ging tegen het polytheïsme en tegen voorspraak bij God door afgoden? De schrapping van de duivelsverzen laat zien dat Mohammed niet onfeilbaar was. Daarop de aandacht vestigen wekte de woede van de orthodoxen.

9 Omtrent de omgang van moslims met joden en christenen komt in soera 29: 46 een opmerkelijke passage voor. De tekst luidt daar: ‘En twist niet met de lieden van de Schrift dan op betamelijke wijze.’ In het Arabisch staat er: op de beste manier. In het Arabisch is dat een staande uitdrukking geworden, die de hoffelijkheid aangeeft die bij elke controverse betracht moet worden. En vers 46 gaat verder: ‘Wij geloven in Hem die tot ons heeft neergezonden en tot u (joden en christenen) heeft neergezonden en onze god en uw god is één en wij zijn aan Hem overgegeven.’ 

10 Jihad betekent letterlijk inspannen, je ergens voor inzetten. In de islamitische theologie wordt verschil gemaakt tussen de grote en de kleine jihad. De grote is de dagelijkse inspanning die iedere gelovige elke dag moet leveren tegen de eigen zondige neigingen. Soms moet de kleine jihad defensief geleverd worden tegen hen die de islam bedreigen.

11 De islam is een ‘platte’ religie, dat wil zeggen dat er geen religieuze hiërarchie is en geen centraal leergezag. Fatwa’s kunnen elkaar tegenspreken. Geschillen met betrekking tot de theologie of de plichtenleer worden decentraal beslecht, eerst door verwijzing naar de Koran, dan naar de hadith – de ‘traditie’ – vervolgens wordt een oplossing gezocht naar analogie van eerdere oplossingen. Bij gebreke daarvan brengt de consensus uitkomst.

12 In de Bijbel komt een auteur soms denkbeeldig in gesprek met zijn lezers die hem vragen stellen. De auteur (bijvoorbeeld de apostel Paulus in Rom. 6 en 7) antwoordt dan: ‘Volstrekt niet!’.  In vergelijkbare situaties antwoordt de koranauteur: ‘Niets daarvan!’, of: ‘Welnee!’. ( o.a. in soera’s 102 en 104).

13 In de Koran wordt de eenheid en uniciteit van Allah sterk benadrukt. Dat is te verklaren uit de oorsprong van de islam, toen het polytheïsme met kracht werd bestreden. Mohammed moet het ‘Sjemá Israël’ uit Deuteronomium 6 gekend hebben: ‘Hoor Israël, de HERE is onze God, de HERE is één!’ Het afkondigen door de vroege kerk van het dogma van de Heilige Drieëenheid (concilies in 325 te Nicea en in 381 te Constantinopel), heeft Mohammed een terugval in het veelgodendom genoemd. ‘God heeft geen zoon.’

14 In een geheel door moslims gerund restaurant zag ik hoe medewerkers bezig waren met het aanbrengen van kerstversieringen. Vieren jullie ook Kerst?, vroeg ik. Ja natuurlijk, was het antwoord, want Jezus is ook onze profeet!                                                                

| |