Archief
Jaargang:

Eén troost heb je

Door Rob van Essen
Gepubliceerd juli 2010, jaargang 13, nr. 127

In-druk

Het huis was leeg toen ik het te koop zette rond de Kerst. (Te) veel ging mee naar Delft, waar een grote bergruimte het mogelijk maakt moeilijke keuzes nog even uit te stellen. Veel ging er naar de kinderen en de familie, naar de Kringloop en de Weggeefwinkel en zelfs naar Roemenië. Wat niemand wilde hebben, werd weggehaald door de Haagse Milieudienst: langs de gevel stond de hele stoep vol. Mijn makkelijke leren stoel, te groot voor de kleine kamers in Delft, aan de straat. De stoelen waarvoor Betsie zelf overtrekken had genaaid, niemand heeft er nog wat mee.

Deze week teken ik bij de notaris de overdracht, dus nu moet de schuur ook leeg. De grote indianentent, eigen maaksel, maar de kleinkinderen zijn er al weer te groot voor en hun tuin te klein. Mijn Compaq-pc die vijftien jaar geleden top of the bill was en de leuke speakertjes. Maar ja, in onze schuur liggen al zes pc-speakertjes. Ik vond het gereedschapsetui dat Betsie voor mij maakte, dat onder de buddyseat van de motor paste. Want op de vele ritten tussen Ermelo en Amsterdam moest er wel eens gesleuteld worden. Ook kwam het terrarium – en de pomp – te voorschijn, die een leefmilieu boden aan onze twee moerasschildpadden. In Utrecht hebben we daar nog een keer een muggenplaag aan te danken gehad, omdat de bak een ideale broedplaats bleek. Half lege verfblikken met opgedroogde inhoud: we rijden met twee auto’s naar de afvalinzameling.

Vijf jaar geleden bleef ik achter in wat ineens een overvol museum van het verleden was geworden. Inmiddels is er veel gebeurd: dankzij Neeltje en mijn kinderen klauterde ik terug naar het leven, er werd een kleindochter geboren, er zijn twee neven getrouwd en een zwager stierf, veel te jong. Loosduinen werd Laak en Rijswijk. Vijf jaar, en toch lijkt het niets als ik ons slaapkamergordijn in container 2 – huishoudelijke artikelen – gooi. Mijn zoons hielpen vorige week bij de laatste loodjes en we stonden even stil in de tuin. Daar zaten we regelmatig in de kring, kwamen familie- en gemeenteleden op verjaardagen en renden de kleinkinderen over ons schelpenpad. Daar was ik uren bezig het opblaasbare zwembadje op te pompen en met water te vullen. Tijdens zo’n verjaardag vloog een duif tegen het zolderraam en viel bijna op het hoofd van kleindochter Amy. Slechte Pinksterimitatie van het dier, dat de geest gaf voor ik de dierenambulance kon bellen.

Het huis is nu leeg en ik heb onze namen van de deur gehaald en de fotocollage , die ik na haar overlijden in de hal een plaats had gegeven, weggehaald. De kast waarin onze kleren vreedzaam naast elkaar hingen, wacht op de nieuwe bewoonster. Ik sluit de huisdeur en ga naar Delft. Dag huis, dag wijnstok, dag Zuiderstrand waar we wandelden, dag kamer waar we elkaar voor het laatst welterusten zeiden. Dag soulmate, ik red het wel weer.

Maar gelijk had-ie, de lotgenoot die in september 2005 zei: ‘Eén troost heb je: het gaat nooit over.’

 

| |