Archief
Jaargang:

Gesprek met Hans van Leeuwen S.J.

Een helpende hand die weerbaar maakt

Door Jan Goossensen
Gepubliceerd december 2008, jaargang 12, nr. 111

Interview In Den Haag staat het Nederlandse hoofdkantoor van de rooms-katholieke orde die met zoveel woorden naar Jezus is genoemd: de jezuïeten. Een gesprek met Hans van Leeuwen.

De enorme eigen bibliotheek van de paters, toen die zich nog bevond boven de ingang van het Aloysiuscollege. Twintig jaar geleden kreeg de school beschikking over deze ruimte. De collectie boeken is toen sterk ingekrompen en kreeg een plaats in het patershuis.

De enorme eigen bibliotheek van de paters, toen die zich nog bevond boven de ingang van het Aloysiuscollege. Twintig jaar geleden kreeg de school beschikking over deze ruimte. De collectie boeken is toen sterk ingekrompen en kreeg een plaats in het patershuis.

‘Onze enige reden van bestaan is altijd geweest: dienst aan de kerk.’

Aldus dr. Hans van Leeuwen, lid van de Societas Jesu, afgekort S.J. In Den Haag is het provincialaat (hoofdkantoor) van de Nederlandse jezuïeten gevestigd. Zo’n veertig jaar geleden telde Den Haag nog vijfenzestig jezuïeten, van wie een groot deel leraar was aan het Aloysiuscollege in het Benoordenhout. Toen de banden met de school losser werden, en het naastgelegen patershuis twee jaar geleden werd ontruimd, zijn de overgebleven jezuïeten verhuisd, naar Nijmegen en naar een groot gebouw in de Amaliastraat.

 Handelsmerk

Van Leeuwen probeert sindsdien, met zijn ordegenoten, de Haagse parochies met raad en daad bij te staan. Nu het aantal priesters sterk afneemt en parochies samenwerken in grote verbanden, ‘schiet het persoonlijk pastoraat er vaak bij in’, zegt hij. ‘Parochiepriesters hebben daar nauwelijks tijd voor. Aan geestelijke begeleiding komen ze amper meer toe.’

Dus zien de jezuïeten het als hun taak de parochies – in goed overleg – de helpende hand toe te steken. Het weerbaar maken van gelovigen is, om het zo te zeggen, van oudsher hun handelsmerk.

‘Jezuïeten proberen altijd mensen tot steun te zijn, door middel van bezinningsbijeenkomsten, retraites en bijvoorbeeld bijbelgroepen.’

Dat was al de inzet van de oprichter van de orde, Ignatius van Loyola, een Spanjaard uit de zestiende eeuw, die als reactie op de Reformatie van Luther en Calvijn zich ten doel stelde tegenover het ontluikende protestantisme een wetenschappelijke en spirituele rooms-katholieke tegenbeweging te vormen.

 ‘Sluwe Jongens’

De nadruk op intellectuele vorming, die voor velen meer dan dertien jaar duurde, heeft de jezuïeten een rationeel imago gegeven, vertelt Van Leeuwen. Geen wonder, dat veel medebroeders – na die lange tijd van studie – voor vele vormen van onderwijs kozen. Jezuïeten komen daardoor minder mystiek over dan volgelingen van Franciscus of Johannes van ’t Kruis. Sterker nog, ‘sommigen noemen ons berekenend of afstandelijk’. Het niet al te vriendelijke woord ‘jezuïetenstreek’ is bekend.

‘Het zij zo’, verzucht Van Leeuwen, die glimlachend nog een typerende Duitse benaming noemt: ‘schlaue Jungen’. SJ: Sluwe Jongens.

Van Leeuwen is wel zo rationeel dat hij ook eerlijk is: de geestelijke erfenis van de Haagse jezuïeten op het Aloysiuscollege zal nog ‘hooguit één generatie’ merkbaar zijn, verwacht hij. In het publieke debat zijn jezuïeten nauwelijks meer aanwezig; hooguit is bekend dat oudere politici als Van Mierlo en Lubbers ‘bij de jezuïeten op school hebben gezeten’. Voor de rest doet de gemiddelde leeftijd van de tien Haagse jezuïeten – 74 jaar – vrezen dat de periode waarin parochies en andere katholieke instellingen nog van hun inzichten gebruik kunnen maken, niet al te lang meer zal zijn.

Vrijwillig celibaat

Over het priestertekort in de rooms-katholieke kerk heeft Van Leeuwen als goed intellectueel en gepromoveerd theoloog een duidelijke mening: het zou goed zijn als ook getrouwde, ‘beproefde’ mannen gewijd konden worden. En op termijn zou het celibaat een vrije keuze moeten worden.

Dat zegt hij als loyale zoon van de kerk. Hij heeft in de woelige jaren zestig nooit overwogen zijn toog aan de wilgen te hangen. ‘Ik heb nooit de behoefte gehad over de grens heen te stappen. Als je uittreedt, ben je je stem kwijt. Ik wil met iedereen tot het laatst in gesprek blijven. Dat is ignatiaans.’

 

| |