Archief
Jaargang:

Een stelletje ongeregeld

Door Rob van Essen
Gepubliceerd januari 2009, jaargang 12, nr. 112

In-Druk

Terwijl jaarlijks honderden leden de kerk via de achterdeur verlaten, groeien veel evangelische gemeenten als kool.

Mensen stappen over omdat ze een blijmoediger geloof of een meer ‘bijbelgetrouwe’ prediking zoeken. Van huis uit buitenkerkelijk, heb ik veel te danken aan gelovigen in gemeenschappen waarop indertijd vanuit het ‘officiële’ circuit nogal werd neergekeken. De ene kerk die we belijden te geloven, is immers vooralsnog een werkelijkheid die zich niets van historisch gegroeide scheidslijnen aantrekt.

 Ondanks mijn ‘evangelische’ wortels, ben ik indertijd bewust toegetreden tot de hervormde kerk.

‘De kerk is een zootje en ik hoor erbij’, zei Buskes, de Amsterdamse predikant die zijn leven lang kritisch was op het instituut kerk.

In een vereniging kiezen mensen voor elkaar op grond van een gedeelde hobby, zoals klaverjassen of hockey. Maar met dat wij ons tot Christus bekeren, worden wij ‘ingelijfd’ in de gemeente waarvan Jezus het hoofd is. En hoe ideaal het in de gemeente waarin je wordt geboren en/of waarvoor je kiest aanvankelijk ook mag lijken, je zult merken dat de anderen even grote zondaren zijn als jij zelf. Iedere gestalte van de kerk hier op aarde is een voorlopige en gebrekkige.

Het is een hardnekkig misverstand – binnen en buiten de kerk – dat christenen ‘betere’ mensen zouden moeten zijn dan anderen. Daarom zijn er steeds weer mensen die hun gemeente verlaten, omdat ze niet langer tegen de lauwheid en de traagheid, het ongeestelijke en behoudzuchtige klimaat zijn opgewassen. Ik snap dat best, want ook ik loop menigmaal met mijn kop tegen de muur.

Maar blijkt in het Nieuwe Testament niet al dat de gemeente een voortdurende strijd heeft met ‘de duivel, de zonde en het vlees’?

‘Jezus verdraagt het om met zondaars samen te wonen’, zei Luther, ‘zouden wij dat dan niet doen? Ja, hij verdraagt zelfs mij elke dag. Wat is het toch bevrijdend een zondaar te mogen zijn.’

 Mijn grootste zorg is niet dat mensen uit onvrede of ongeduld hun gemeente de rug toekeren. Maar zouden ze de Heer, die ze beter willen leren kennen en dienen, zo juist niet kwijt kunnen raken? Bestaat de navolging ook niet daarin dat wij elkaar aanvaarden en tot vergeving bereid zijn?

Wie op zijn of haar gemeente is uitgekeken, moet beseffen dat Gods geduld groter is dan het onze. Goddank, want zelf moet ik het ook van dat geduld hebben. En natuurlijk, vaak lijkt het gras bij de buren groener dan bij ons. En wie het werkelijk niet meer harden of laten kan, die moet dan maar een deurtje verder gaan.

 We bidden deze maand voor de eenheid der christenen. Daar hoort dan toch zeker bij dat we elkaar niet afschrijven. Deel hebben aan een concrete gemeenschap is immers ook delen in verantwoordelijkheden en in vriendschappen. Daarmee breken is niet alleen pijnlijk voor jou, maar ook voor degenen die Christus aan jou gegeven hadden. Bedenk dat voor je gaat shoppen.

En waar we Jezus ter wereld ook vinden, altijd weer is het in het gezelschap van een wonderlijk stelletje ongeregeld.

 

 

 

| |