Geloven in verzoening. Overdenking Jom HaSjoa
Door Pfr. Eckhard Benz-Wenzlaff, Deutsche Evangelische Gemeinde Den Haag
Gepubliceerd april 2010, jaargang 13, nr. 125
Toespraak Toespraak, gehouden op Jom HaSjoa, 27 april 2008, in de Kloosterkerk te Den Haag. De volledige tekst.
1
Ani salachti lecha – ik heb je vergeven.
Ik was 22 jaar, 1981: een Israëlische studente zei dit tegen mij. Ik vond haar sympathiek, en zij vond het ook van mij. Zij wilde een brug slaan tussen ons – over een onzichtbare kloof. Ik had het gevoel van dank, maar tegelijk stond er een vraagteken in mijn hoofd: Dit was voor het eerst in mijn leven, dat iemand mij iets vergaf die ik tot dit moment niet eens had gekend.
Veel van mijn belevenissen waarvan ik wil vertellen hebben met Israël te maken. Het was daar waar ik mijn eerste ontmoetingen had met Joden die de Sjoa hadden overleefd. Of met hun zonen en dochters.
Een andere studente, de enige Nederlandse in mijn taalcursus. Toen ik een woord niet snapte, gaf zij mij haar verklaring: „Dat is wat jullie met de Joden hebben gedaan.“ Ik snapte dan wel: het woord dat ik zocht kan geen prettige betekenis hebben. Ik vroeg dus niet verder en gaf voor een precieze vertaling de voorkeur aan het woordenboek. Het was het woord voor „pijnigen“.
Überhaupt: het woordenboek. Soms leek het of er van het woordenboek een bijzondere sfeer uitging. Vaak dacht ik: Verzoening heeft met leren te maken. Leren van de taal, van de geschiedenis, het perspectief van mensen die aan de andere kant van de kloof zitten. In Jeruzalem had ik mijn woordenboek vaak op mijn knieën. Een vrouw in de bus zat tegenover mij en zag mij bladeren. Het was niet helemaal duidelijk of ik nu Duits leerde of Ivriet.
Spreek je Duits?
Er lag verbazing in haar stem. Hoe zou je Duits kunnen spreken – als Jood? (Natuurlijk waren er ook Israëli’s die Duits spraken; een hele gemeente sprak Duits, ook tijdens haar dienst in de synagoge – maar voor deze vrouw was dat een moeilijke gedachte.) Ik ben niet Joods, zei ik. Ik ben gewoon Duits. En christen.
Maar waarom leer je dan Ivriet?
Ook dit kon ze zich niet voorstellen: Hoe zou een Duitser Ivriet kunnen leren? Ja, ik leer Ivriet. Zij antwoordde niet. Ik had de indruk in haar gezicht iets van een film te herkennen die erachter afliep. En dan opluchting. Hoeveel angst moest deze vrouw in haar leven hebben gehad voor mensen die Duits spreken?
2
Een man in een kibboets had mij verteld dat hij in Polen was en dat hij bij de partizanen tegen de Duitsers had gevochten. Twee, drie weken spraken wij geen enkel woord in een andere taal dan in het Ivriet. Maar dan, onverwacht, in de schrijnwerkerij, wij moesten een kast optillen: Komm, gib a Hand!
Het was Jiddisch, maar zo dichtbij mijn eigen Duits dialect. Vanaf dit moment was de taal geen probleem meer in de schrijnwerkerij. Het blijken banale situaties te zijn die een mens een moment van vrede en verzoening terug kunnen geven. Maar ik moest er wel toe bereid zijn. Ik mocht niet weglopen. Ik moest beseffen dat er angst bestaat – en dat deze angst te maken heeft met de taal die ik zelf spreek.
En wat nog belangrijker is: Ik moest het accepteren. Veel Joden (en veel andere mensen, ook in Nederland) konden na de oorlog – en sommige kunnen nog steeds – mijn moedertaal niet meer horen, niet naar Duitsland reizen, in Duitsland niet slapen. En ik weet: Er zijn ook Duitsers geweest en er zijn er nog steeds die dit niet kunnen begrijpen.
Een moeilijke taak: Terwijl het Joodse volk de daden van vernietiging aan den lijve moest ondervinden, moet aan mijn Duitse volk de herinnering aan deze daden als opdracht worden gegeven. Misschien mag ik dit zeggen: Ook het Duitse volk heeft vertrouwen nodig. Want je zou de hele omvang van de daden van je voorouders alleen maar onder ogen kunnen zien als je beleeft: er is iemand die een brug wil slaan.
Vaak had ik de indruk dat mensen die de Sjoa hebben overleefd op een ongelofelijke en indruk wekkende manier juist geen haat in zich voelen, integendeel: Er was dank voor een nieuwe kans om elkaar te ontmoeten en een nieuwe ervaring te maken. Dank voor een moment van vriendschap. Je moet niet in alle dingen van de zelfde mening zijn. Zeker niet in politieke kwesties. Maar er moet een sfeer van vertrouwen zijn. Duitsers (en ook andere Europeanen) moeten duidelijk maken dat het Joodse volk overal zonder angst moet kunnen leven.
Dat is meer dan een politieke oefening. Meevoelen, deelnemen hoort er bij: het bewustzijn van het gevaar dat nog steeds bestaat. Niet bagatelliseren. Het bewust zijn van het feit dat het Joodse volk de consequenties van het antisemitisme nog allemaal zelf had te ondergaan. Nadenken over een woord van Hanna Arendt uit 1942: „Vor Antisemitismus ist man nur (noch) auf dem Mond sicher.“ Voor het antisemitisme ben je alleen maar op de maan veilig.
Soms komt het zelfs in de vorm van goede politieke doelen terecht. Soms is het moeilijk om een onderscheid te maken tussen goede doelen en de antisemitische afgrond die er zich achter opent: Het gebeurde in Duitsland, maar ook in Den Haag, dat ik van demonstranten een flyer in mijn handen kreeg (en dit was geen goedkoop stukje papier, maar een hoogwaardig en 3 duur gemaakte layout). Er stond de oproep te lezen: Solidariteit met de Palestijnen: Koop geen Israëlische producten.
Ik zal nu niet in mijn Duitse taal zeggen hoe dat klinkt. Maar ik ken wel de oude foto's uit de jaren dertig waar juist (of: bijna) dit te lezen is op de ruiten en de deuren van joodse winkels. Zeker: de politieke context is helemaal anders. En, treurig genoeg, in Jeruzalem heb ik deze woorden ook in het Ivriet gelezen: Koop niet bij de Palestijnen. Gelukkig – zoals ook in Europa – volgden er niet veel mensen dit advies op. Maar wat zullen Joden denken van dit soort van goede bedoelingen en adviezen vanuit Europa? Het is het eerste criterium op weg naar verzoening en vrede dat ik let op mijn taal en op mijn politieke acties. Daarom, misschien, hou ik van woordenboeken: Want niet alleen persoonlijke ontmoetingen, maar ook politieke actie moet worden gemotiveerd door het duidelijk herkenbare voornemen om een sfeer van vertrouwen te laten ontstaan. En dan gebeurt het toch: een nieuwe ontmoeting, een brug over de kloof, een ervaring van verbazing, van vrede midden in een volle autobus of in de schrijnwerkerij en zelfs tussen Joden en Arabieren in de oude stad van Jeruzalem. En dan moet ik nog van een man vertellen. Toen ik zei dat ik Duitser ben, kwam hij met zijn eerste woord tegen mij: Waar was je vader in de oorlog?
Dé kernvraag. Mijn vader kan hij niet vragen, dus ben ik het adres. Eerst het antwoord, daarna mag ik dan met een ander onderwerp komen. Als je géén Duitser bent, dan heb je – normaal gesproken – geen probleem met het antwoord. Inderdaad had ik op dit moment kunnen zegen: Mijn vader is geen Duitser. Ik zei: Mijn vader is een Zwitser.
Maar ik voelde me daarom niet beter en zei: Hij was wel in de oorlog. Hij was een van duizenden vrijwilligers uit Europese landen die samen met de Duitsers tegen het communisme wilden vechten. Het is ten opzichte van oorlog en antisemitisme niet automatisch een geruststelling als je géén Duitser bent.
De weg naar verzoening is ver. Ik zal er geen definitie van kunnen geven. Mijn geloof in verzoening is een zoektocht. Maar in die zoektocht voelde ik mij steeds gedragen en begeleid door mensen van de andere kant van de kloof. Het is luisteren naar elkaar. Luisteren naar Micha, de profeet. Want het zal steeds moeilijker worden om de geschiedenis van het antisemitisme te begrijpen als onze Europese maatschappijen de dromen van de bijbelse, de joodse en de christelijke tradities niet meer kennen:
4
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt. Ik kom van een mooie plaats in het zuiden van Duitsland waar veel wijnranken groeien. Maar het is nog niet de tijd van Micha. Ik werd wel opgeschrikt: door het verleden, door misdaden en geweld die de generatie van mijn ouders graag wilde vergeten maar die toch een vormend onderdeel van hun leven bleven. Zij wilden er niet meer van horen maar ze spraken er toch zelf steeds over.
Daarom, misschien, wilde ik meer weten. Ik werd dan nog een keer opgeschrikt toen ik mij realiseerde dat ik tot midden in het centrum van mijn eigen(e) christelijke traditie moest gaan om te begrijpen, dat het antisemitisme meer is dan een tijdelijke waanzin van de Nazi's.
Om het precies te zeggen: Het was de christelijke traditie die zich had afgesneden van haar joodse oorsprong. Het was mijn eigen geloof dat zijn identiteit ten koste van het Joodse volk uitdrukte. Een moorddadige manier van religieuze puberteit tegen de eigen(e) ouders: Het verlangen om tegen de eigen oorsprong te vechten, ja zelfs die oorsprong te vernietigen. Ook na 1945 waren er mensen (christenen!) die de Sjoa in verbinding wilden brengen met een „straf“ voor de Joden, omdat deze – volgens hen – „de Messias niet wilden erkennen“.
Dus: niet Adolf Hitler was er mee begonnen. Zo verdedigt (Augustinus’ leermeester,) bisschop Ambrosius van Milaan in het jaar 388, tegenover de keizer die christenen die een synagoge in Syrië in brand hebben gestoken. De keizer wilde hen - terecht - straffen, maar Ambrosius dreigt de keizer met kerkelijke maatregelen. Dat laat wel zien, dat de breuk met het volk Israël definitief was, en de kloof onoverbrugbaar breed.
Soms werden Joden onder de macht van Christenen dermate onderdrukt dat zij naar de landen van de Islam vluchtten en daar beter werden behandeld.
Misschien is deze herinnering ook belangrijk in onze huidige tijd waarin zelfs politici de Islam collectief als een bedreiging tekenen – zonder zich te realiseren dat ook van Christenen (e)en hun gedachten grote bedreigingen uitgingen. Martin Luther, de grote Duitse reformator, had het waanzinsidee: dwangarbeid voor Joden, vernietiging van synagogen.
5
Gelukkig blijft er ook een goede herinnering in onze Duitse evangelische gemeente te Den Haag. Zij bestaat nu 150 jaar. Tijdens de oorlog vonden Joden en andere mensen vanuit het verzet in onze kerk een schuilplaats achter het orgel – midden in het door Duitsers bezette Den Haag. Ik kan mij bijna niet voorstellen hoe dat werkte. Maar het was toch mogelijk. Deze herinnering blijft in onze gemeente verbonden met de naam van Pfarrer Kaetzke die er dertig jaar predikant was. Ik weet zeker: Het feit dat ik nu hier sta om te spreken dank ik ook aan hem. Geloven in verzoening heeft te maken met de ervaring dat het ook anders kan. Ik kom dus ook vanuit een land waar ik toch mensen ontmoette, die mij op weg zetten. Het is niet alleen de taal. Niet voor niets studeerde ik evangelische theologie en zocht de weg terug naar de wortel, naar het Jodendom. Het klinkt overduidelijk, wat Paulus schrijft in zijn brief naar Rome: U – christenen – moet goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. (Rom 11,18) Afgelopen week vierden Joden het Pesach. Op de Seider-avond wordt over de uittocht uit Egypte verteld en wordt er gegeten van voedsel waardoor je aan die tijd moet terugdenken, bijvoorbeeld het bittere mierikswortel. Daarna worden er lekkere dingen gegeten.
Wat er is gebeurd kan niemand ongedaan maken. Bittere herinneringen zullen blijven en nog veel mierikswortels zullen worden gegeten. Ik durf het eigenlijk niet zeggen – maar ik doe het nu toch: misschien komt er toch een keer die tijd wanneer Joden een Christenen ook samen lekkere dingen zullen eten en iedereen die dingen brengt die hij onder zijn wijnrank vind.
Tot slot een woord uit de profeet Jesaja (66,10): Wees blij met Jeruzalem en verheug u met haar, allen die van haar houden en die om haar rouwden.




Sociale media
Follow @KerkDenHaag