Archief
Jaargang:

God lacht

Door Dolf Tielkemeijer
Gepubliceerd februari 2012, jaargang 15, nr. 143

Bijbels QRS De Bijbel staat vol woorden. Gedurende de geschiedenis heeft de mens, de kerk, die woorden een eigen leven ingeblazen. En er woorden aan toegevoegd, die bij nader inzien helemaal niet in de Bijbel staan.

Verscholen op de onderste boekenplank in een stoffig antiquariaat vond ik het. Of het vond mij, dat zou je ook kunnen zeggen, want ik wilde het graag lezen: de autobiografie van Charley Chaplin. Met lichte tred, enigszins verend en met wapperende jaspanden keerde ik huiswaarts.

 

Het viel tegen. Chaplin portretteert zichzelf in gezelschap van vele beroemdheden. Prins Reinier van Monaco was kennelijk zijn grootste fan. Het zal wel. Maar één verhaal vond ik zo mooi. Het speelt op het hoogtepunt van zijn roem, tegen het einde van zijn Amerikaanse periode, vlak voordat hij door het McArthy-regime het land werd uitgewerkt vanwege vermeende communistische sympathieën. Chaplin deed mee aan een van de vele Chaplin-imitatiewedstrijden. Hij werd derde.

Dat het gebeurt is al grappig. Maar dat je dit in je autobiografie ook vertelt, is nog veel grappiger. Vanwege dit verhaal en vanwege zijn films heb ik Chaplin altijd verdacht van een meer dan gemiddelde portie genade van God. Dat zal ik proberen uit te leggen. Het raakt aan de kern van ons denken aan God.

 

‘Genade’ is een bijzonder woord. In het Latijn is het gratia. Zonder moeite herken je daarin ‘gracieus’ en ‘gratis’. Dat zegt al veel. In het Grieks spreek je over charis, dat ‘bevalligheid’ of ‘gunst’ betekent en herkenbaar is in ‘charismatisch’, ‘bruisend van genadegaven’.
Het Hebreeuws van het Oude Testamant is echter het mooist. Daar lees je het woord cheen, dat ook ‘lieftalligheid’ of ‘gunst’ betekent. Wij kennen het in het spraakgebruik als ‘gein’, want zo is de taal van de Bijbel door toedoen van joodse Nederlanders in onze taal ingeburgerd geraakt.
Met ‘gein’ begint de glimlach in de taal door te schemeren. Ik weet wel dat niet iedereen het woord ‘gein’ of ‘geintje’ op een positieve manier gebruikt. In sommige monden kunnen de mooiste woorden nog smoezelig worden. Maar naar de oorsprong genomen, is de bedoeling helder. Wij kunnen tegen elkaar zeggen dat we een genadige God hebben: Ontfermend is de ENE en genadig, lankmoedig en overvloedig in vriendschap en trouw (zie Exodus 34:6). Genade komt van Gods binnenkant.
Wij hebben een genadige God. Anders gezegd, en toch hetzelfde: wij hebben een geinige God. Met zijn genade komt zijn glimlach over ons bestaan.

 

God kan ook spottend lachen. Dat is anders. Dat geldt de machten van het kwaad, die zich weren en hun slachtoffers eisen op aarde. De spottende lach van God schept de ruimte om te hopen dat het met de machten van het kwaad snel afgelopen zal zijn. Let op, ze vallen al, ze houden het niet!
De genadige glimlach van God echter gaat over de schepsels van zijn handen, die iets laten zien van hun Schepper. Die zomaar, gratis, iets van de genade van God weerspiegelen.

 

En zo kan het gebeuren dat een clown als Chaplin onze ogen opent voor de ware aard van ons bestaan. Bewust of onbewust, dat maakt niet uit. Je voelt een lach opborrelen, je kunt het niet tegenhouden, en je denkt: Mijn God.

 

Dolf Tielkemeijer, predikant van de Thomaskerk, en emeritus-predikant Gerrit de Groot schrijven om beurten een aflevering van deze theologische rubriek. De titel is een knipoog naar het befaamde boek Bijbels ABC  van K.H. Miskotte.

| |