Monica van der Perk over chronisch ziek-zijn
God na de tekenbeet
Door Idelette Nutma
Gepubliceerd november 2009, jaargang 13, nr. 120
Interview Een ommetje door het park veranderde het leven van Monica van der Perk volledig. Ze kreeg de ziekte van Lyme. Haar ziekte leverde haar een spirituele zoektocht op.
Monica van der Perk in haar stiltehoekje. ‘Er groeide iets in me waar ik geen woorden voor kon vinden.’
De tekenbeet kan ze zich nog herinneren, vertelt Monica van der Perk, gemeentelid van de Laakkapel. ‘Ik liep hem op in 1998, bij ons voor in het park, geheel ongemerkt. Pas naderhand ontdekte ik een zwart beestje in de huid van mijn hals.’ Na drie maanden kreeg ze pijn in haar armen, daarna in de benen, vervolgens vermoeidheid en concentratiestoornissen. Na drie jaar voelde ze zich op een dag niet meer in staat om te lopen. Er kwam een rolstoel in huis. De wetenschap dat ze de ziekte van Lyme had, kwam pas later.
Rol en identiteit
Door de fysieke beperkingen veranderde er veel. De meeste mensen in haar omgeving waren begripvol, maar sommigen, constateert Van der Perk mild, konden zich weinig voorstellen bij zo’n ziekte. Je ziet er toch goed uit?
Wat in feite bij een chronisch zieke verandert, zegt ze, zijn de rollen die je in het dagelijks leven vervult, bijvoorbeeld die van werkneemster, echtgenote, moeder, dochter, vrijwilligster, vriendin. Als die veranderen, brengt dat dus vragen met zich mee over je identiteit.
Ze was gewend om voor iedereen klaar te staan. Ineens kon ze veel minder. Sommige vriendschappen en contacten verwaterden. Ook haar werk kon ze niet meer doen. Het voelde als een rouwproces om zoveel te moeten loslaten. De waarden van het geloof die zij in haar jeugd meekreeg, kwamen op losse schroeven te staan. Ze confronteerde God met de vraag: ‘God, heb je nog te maken met mijn leven?’ Langzamerhand groeide een inzicht dat een keerpunt in haar leven betekende: ‘Ik zie niet waar hij staat en hoe hij in verhouding tot mij staat, maar wel ergens diep van binnen weet ik: ik maak deel uit van dat verbond met God. Al ben ik veel kwijtgeraakt qua gezondheid en sociaal leven en identiteit, God wil ik niet kwijt raken.’
Antenne
Ze voerde gesprekken met haar predikant. Tegelijk kreeg ze een soort antenne voor gemeenteleden die in een soortgelijke positie zaten. Samen met hen startte Van der Perk een gespreksgroep over de vraag: waar loop je tegenaan in het dagelijkse leven? Maar ook: wat verwacht je van de kerk? Zo verdiepten de leden zich in de beeldvorming over chronisch zieken en gehandicapten binnen de kerk. De kerk houdt zich, vanuit haar bijbelse inspiratie en haar traditie, bezig met ‘de ander’. Maar, zo stelde de groep opbouwend kritisch: wil die ander dat ook op die manier? Bepalen mensen niet te snel voor iemand anders wat fijn of wenselijk is?
Een andere vraag gaat over het feit dat er in een kerkdienst vaak gebeden wordt voor ‘herstel’. Wil iemand die chronisch ziek is dat er voor genezing wordt gebeden? Verder werd de vorm van het avondmaal doorgelicht. In welke vorm kan iedereen op gelijkwaardige wijze meedoen? Uiteindelijk werd gekozen voor een zittende, halve kring. Daarnaast, en dat is minstens zo waardevol, is de gemeente zich dingen meer gaan realiseren. De aandacht voor (chronisch) zieken en gehandicapten werkte door; niet alleen wanneer mensen ziek werden, maar ook als ze ziek bleven.

Monica van der Perk knipt het lint door bij de pasgebouwde lift in het gebouw van Stek, de diakonale uitvoeringsorganisatie van de Haagse protestantse gemeente. Zij is lid van de werkgroep ‘kerk en handicap’. Het pand aan de Parkstraat is nu volledig toegankelijk voor rolstoelers.
Bevechten
Het bijbelverhaal over Jacob die met iemand worstelt bij de rivier de Jabbok is voor Van der Perk belangrijk geworden. Jacob beseft dat het God is met wie hij de confrontatie is aangegaan. Jacob zegt: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ Een treffende overeenkomst met haar eigen situatie vindt Monica van der Perk de confrontatie die letterlijk en lijfelijk wordt aangegaan, die wordt afgedwongen bij God. ‘Ik hou u aan dat verbond’, lijkt de hoofdpersoon in dit verhaal te zeggen. Van der Perk omschrijft het als een ‘elkaar daarop bevechten’. Op bepaalde momenten in haar leven kwam ‘Jacob bij de Jabbok’ weer bij haar terug. ‘Steeds kun je je weer afvragen: waar sta ik op dit moment in het verhaal, het verhaal tussen mens en God?’
Inmiddels beslaat Monica’s ziektegeschiedenis elf jaar. ‘Ik merkte dat er iets in me groeide waar ik geen woorden voor had, een verlangen naar God.’ Ze begon te lezen. Teksten voor het leven, een bloemlezing van mystieke teksten. De wolk van niet weten, een handleiding uit de veertiende eeuw voor een jonge monnik. Van der Perk ontdekte dat de keuze voor contemplatie andere keuzes met zich meebrengt: wat doe ik en wat laat ik. Daarna een boek van Theresia van Avila, die een indringende beschrijving geeft van het ‘dingen doen uit angst om niet goed genoeg te zijn’. Het gevolg was dat na deze ontdekking het verlangen ontstond om dichtbij God en dichtbij zichzelf te blijven. ‘Op die manier kun je het met jezelf uithouden.’ Ten slotte las ze het boek Merkstenen van een twintigste-eeuwse mysticus, Dag Hammarskjöld.
Toewending
Bezinning, contemplatie, het is nu een deel van haarzelf geworden. Ze zegt dat ze ‘dicht in de aanwezigheid van God’ wil leven, en maakt daar ruimte voor: lezen, stille perioden. De toewending naar God werkt door in haar denken en in haar houding, voelen en ervaren. Dat is voor God genoeg, is haar overtuiging.
‘We leggen onszelf zoveel op’, stelt Van der Perk vast, en citeert van Dag Hammarskjöld een gedachte die een andere toon zet: ‘Laat me volbrengen wat ik heb mogen beginnen en laat me alles geven, ook zonder zeker te zijn van groei.’
Het is een tegengeluid tegen de roep van de tijdgeest dat we overal beter in moeten worden. Zelfontplooiing lijkt tegenwoordig het allesoverheersende, opjagende motto. Maar Monica’s leidraad is geworden: ‘Zo ben je goed genoeg voor God.’




Sociale media
Follow @KerkDenHaag