Annie van Schie-Korff de Gidts
‘Hè kind, daar ben je dan'
Door Nelleke de Jong-van den Berg
Gepubliceerd oktober 2010, jaargang 14, nr. 129
interview Een leven lang katholiek Den Haag heeft ze achter de rug, en ze speelt nog volop mee in de ‘blessuretijd’. Annie van Schie vertelt over haar ‘vrijmoedigheid’.

Foto Rogier Chang
Annie van Schie: ‘Ik kan het de mensen op straat wel toeroepen: “Kom toch ook naar de kerk!”’
Annie van Schie - Korff de Gidts. Sinds haar tachtigste verjaardag, nu elf jaar geleden, heeft ze het gevoel in blessuretijd te leven. Ze is lid van de Titus Brandsmaparochie, ‘tussen het Zuiderpark en de zee’. Omdat ze teleurgesteld was over een stukje in Kerk in Den Haag, beschreef ze in een brief haar H. Familiekerk: ‘De vieringen zijn er niet “gewóón”, maar buitengewoon! Wij vieren eucharistie.’
Nu steekt ze in haar flat de paaskaars aan, onder het citeren van een bijbelwoord. ‘Waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden.’
‘Ik ben niet zo vroom dat ik de hele dag bid, maar naarmate ik ouder word, voel ik wel steeds meer vrijmoedigheid om over mijn geloof te praten. En als we dan weer zo’n heerlijke viering gehad hebben, dan wil ik het de mensen op straat wel toeroepen: “Kom toch ook naar de kerk!”’
Bordje pap
Ze is rooms-katholiek opgevoed. ’s Avonds met haar moeder naar het lof, ’s morgens vroeg naar de ochtendmis. Even naar huis voor een bordje pap en dan naar school. Na de lagere school de mulo, hoewel haar moeder, die zelf in 1905 van de hbs was gekomen, haar graag naar het gymnasium had zien gaan. Veel meisjes gingen met hun veertiende van school, hoe getalenteerd ze ook waren. Maar Annie bleef, bij de zusters. Uiteindelijk haalde ze haar akten nijverheidsonderwijs en ging ze zelf les geven, tot haar huwelijk in 1945.
Er kwamen vijf kinderen. ‘Twee dochters en drie zonen, steeds weer een godsgeschenk. Ik heb ze graag grootgebracht, deed ze naar katholieke scholen. We gingen samen naar de kerk, een hele optocht.’ Af en toe werkte ze als invalkracht, uitzonderlijk voor die tijd. ‘De school zorgde voor een oppasmeisje.’
Geloofsbeleving
[platte tekst] ‘In 1970 kwamen we in de Fatimaparochie wonen. Ik werd er lector. Het is bijzonder om in die functie naast de pastoor te staan als de eucharistie gevierd wordt. Omdat ik de lezingen goed wilde voorbereiden, ging ik bijbelcursussen volgen, bij pastoor Maat.’ Ze slaat een bijbel open. ‘Kijk, Handelingen bijvoorbeeld, vol notities. Vaak zei de pastoor: “Dat staat er niet!” en dan legde hij uit wat er volgens hem wel moest staan.’
In 2007 werd de Fatimakerk, bij het Monnikendamplein, onttrokken aan de eredienst. ‘Toen werd de Familiekerk mijn kerk. Gelukkig klikte het met de voorgangers.’ Ze stopte in 2008 als lector. ‘De treetjes werden een bezwaar’, zegt ze nuchter. Maar met studeren stopte ze niet.
Ze schreef een recensie over een encycliek en kreeg de smaak te pakken. In het parochieblad debuteerde ze met een opstel over het Loflied op de sterke vrouw. Pastoor Pex nodigde haar uit regelmatig te schrijven, in de geest van Han Renckens’ Je eigen Schrift schrijven. Ze besloot de vrouwen uit de bijbel te bestuderen.
‘Renckens zei: “De Schrift is in ons midden, jij mag haar ontmoeten, ontdekken dat ze ook van jou is, en je eigen Schrift schrijven.” Steeds koppel ik een persoonlijke ervaring aan een bijbelverhaal over een vrouw. Ik hoop met mijn schrijven de parochie aan het bijbellezen te krijgen.’
Haar boekenkast is een afspiegeling van haar interesse en ontwikkeling. Religieuze kunst en gedichten. Alle delen Het verhaal gaat...van Nico ter Linden, Drewermanns Een eigen weg, Credo van Hans Küng, Leven met compassie van Anselm Grün, een boek over Hildegard von Bingen. Onlangs kreeg ze boeken van Suzanne van der Schot, een jonge vrouw die een jaar in een klooster leefde. ‘Haar twijfels zijn zo herkenbaar. Ook ik heb eens gedacht: En als het nou eens allemaal niet waar is? Maar er zijn geen zekerheden. Alleen deze: dat we elke dag opnieuw mogen beginnen.’
Leren spelen
[tekst] Waar ze kan steekt ze een helpende hand toe. Zo komen de twee jongste kinderen van haar buren ‘leren spelen’. ‘Een Turkse familie, liefdevollere mensen kun je je niet voorstellen. Een van de twee oudste meisjes rijdt mij als het nodig is naar de kerk. We praten samen over ons geloof. Zij zijn bang voor Allah, ik vertel hun van de God die liefde is.
Die God is met ons onderweg. Dat is immers de opdracht van het Tweede Vaticaanse Concilie? Het volk onderweg. Zo sta ik ook in de parochie. Ik zeg altijd tegen mijn kinderen: “Ik ben benieuwd wat ik nu weer op mijn schoteltje vind.” In de geloofsgemeenschap moeten we er voor elkaar zijn, elkaar bemoedigen.
Ik ben een gelukkig mens, al ben ik al dertig jaar alleen. Ik ben niet bang voor de dood. Het is het verhaal van de verloren zoon. Er zal iemand met gespreide armen staan: “Hè kind, daar ben je dan.” Heel gelukzalig. Ik zal best fouten gemaakt hebben. Maar ik heb altijd mijn best gedaan. Met alles wat mij gegeven is.’
Dan dooft ze de paaskaars. Ze voegt er nog aan toe: ‘Ik ben misschien wat evangeliserend. Maar het is ter meerdere eer en glorie van de Heer.’




Sociale media
Follow @KerkDenHaag