Archief
Jaargang:

Hebben en zijn

Door Ds. Margreet R. Klokke
Gepubliceerd november 2009, jaargang 13, nr. 120

Bijbels QRS De bijbel staat vol woorden. Gedurende de geschiedenis heeft de mens, de kerk, die woorden een eigen leven ingeblazen. En er woorden aan toegevoegd, die bij nader inzien helemaal niet in de bijbel staan.

God heeft concurrentie. Dat heeft hij altijd al gehad. Mensen kunnen hun vertrouwen stellen in allerlei machten en krachten. Behalve op de Eeuwige kun je vertrouwen op jezelf, je verstand, de wetenschap, je verzekering, de mensen om je heen, de troost van muziek, je pensioenvoorziening, Wilders, Obama, enzovoort…

In de bijbel is zijn belangrijkste concurrent de god Baäl. Deze god heeft geen duidelijk gezicht. Nu eens heeft hij de gestalte van een gouden stierkalf (in Exodus 32), dan wordt er weer een altaar voor hem opgericht, met een Asjerapaal ernaast (Richteren 6 en 1 Koningen 16). Soms ook maakt men een reusachtig beeld van hem (Daniël 3). Hij kan er op allerlei manieren uitzien. Herkennen kun je hem dan ook alleen aan zijn naam. In de taal van de bijbel is Baäl een vervoeging van het woord ‘hebben’. Het betekent zoiets als Hebberd. Baäl is met andere woorden de god van de vruchtbaarheid. Van de winst. Het succes. De vooruitgang.
Zijn motto is: niets is voor niets! Wie hem dient, werkt hard. Want hij denkt: Dan kom je tenminste ergens. Je verdient geld, vermeerdert je bezit. Ontvangt respect en misschien zelfs een zekere bekendheid. Je inzet zal je altijd iets opleveren. Nooit sta je met lege handen.
Dit is helemaal niet zo’n gekke gedachte. Baäl krijgt dan ook telkens weer aanhang, in de bijbel. De hele geschiedenis door. En er moet gezegd worden: onder zijn invloed is er ook veel vooruitgang geboekt…

Maar dat niet alleen. Waar Baäl god is, heerst het recht van de sterkste. Want wie succes wil hebben, kan zich niet bekommeren om wie achterblijft. Daar wordt hij alleen maar door belemmerd. En bovendien: waarom zou hij? Niets is immers voor niets? Wie er slecht aan toe is, heeft dit aan zichzelf te danken. Had hij zich maar meer moeten inzetten!
Op het gebied van menselijkheid draagt Baäl daarom minder bij, aan de samenleving. Sterker nog: hij ondergraaft deze. Waar de ‘god van de heb’ regeert, kun je gesloten grenzen verwachten, gesloten deuren en gesloten harten. Hebben is hard, zegt Ed. Hoornik in een gedicht. Mensen worden er minder menselijk van. En dan, zegt de bijbel, komt God in de verdrukking. Dan heeft hij pas echt concurrentie.
In de taal van de bijbel is zijn naam een vervoeging van het woord ‘zijn’. Als Mozes God vraagt hoe hij heet, antwoordt hij: Ik ben die er zijn zal (Exodus 3). De God van Israël, de vader van Jezus: hem gaat het om er te zijn. Wie hem dient, weet met andere woorden van niets doen. Van rusten, na het harde werken. Van genieten. En hij weet van er zijn voor een ander. Iemand steunen, die in de rouw is. Zich verheugen, wanneer een ander geluk heeft. Menselijk is zo iemand. Medemenselijk. Zijn is zacht, zegt Ed. Hoornik in het eerder genoemde gedicht. Hebben en zijn, het zijn misschien wel de belangrijkste twee grondwoorden uit de bijbel.

Margreet Klokke, predikant van de Kloosterkerk, en Trinette Verhoeven, predikant van de Lutherse Kerk, schrijven om beurten een aflevering van deze theologische rubriek. De titel is een knipoog naar het befaamde boek Bijbels ABC van K.H. Miskotte.

Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn:
daarmee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werkelijkheid, de andere schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet Leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden, en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Ed. Hoornik

 

| |