Het geheim bewaren
Door Rob van Essen
Gepubliceerd maart 2010, jaargang 13, nr. 124
In de Laakkapel zijn we al weer enige tijd met elkaar in gesprek over de wijze van Avondmaal vieren. Brood en wijn werden zittend doorgegeven en sinds enkele maanden komen we naar voren. De kinderen helpen ons bij het toebereiden van de tafel. Je ontdekt in zo’n proces de spanning tussen bewaren en vernieuwen. Te veel ‘bewaren’ leidt tot de klacht dat de kerkdienst zo voorspelbaar is. Bij (kleine) veranderingen hoor je dat men zich niet meer ‘thuis’ voelt.
In dat alles speelt het eigen verleden een grote rol. Op de rechterflank van de gereformeerde gezindte vindt men een vaas bloemen in de kerk al te werelds en ervaart men het niet lezen van de Tien Geboden als een teken van diep verval. Samen hardop het ‘Onze Vader’ bidden of het “Credo” zingen is er ongekend.
In het ‘midden’ van de protestantse kerken is een grotere gevoeligheid voor symboliek ontstaan. Predikanten hullen zich niet allemaal meer in het zwarte universiteitskleed, maar kleden zich in feestelijk wit, met kleurige stola’s naar de tijd van het kerkelijk jaar. In menige kerk brandt een Paaskaars.
Deze ontwikkelingen eenvoudig te typeren als ‘rooms’ is wat erg kort door de bocht. Ook de lutheranen kennen het gebruik van liturgische kleuren. En wat te denken van de rijke Orthodoxe liturgie van de Russen en Grieken, die dateert van vóór het jaar duizend?
Juist in de schoonheid van de klassieke liturgie ervaar je hoe groot de spanning tussen ‘bewaren’ en ‘vernieuwen’ is. De liturgie in de Russisch Orthodoxe viering, waar je tussen de twee en drie uur staande doorbrengt, is van grote schoonheid. Tegelijk dringt de vraag zich op of dit rijke ritueel van liederen en symbolen de moderne mens nog kan aanspreken.
De bloei van evangelische groeperingen heeft ook daarmee te maken dat velen van de kerk, met zijn klassieke vormen en rituelen, vervreemd zijn. Dat betekent van mijn kant geen pleidooi om simpelweg het oude in de kerkdienst overboord te gooien en de gemeente over te leveren aan liturgische experimenten zonder einde. Wie ‘thuis’ komt houdt er niet van dat hij elke dag zijn stoel moet zoeken en dat de tv steeds wordt verplaatst.
Maar anderzijds: als er iets bijzonders is, dan mogen de stoelen opzij en wordt de kamer zelfs, met een tentzeil, tot in de tuin uitgebreid. De vormen die je kiest en wat je daarvoor verandert hangt dus samen met de aard van het feestje. Daarom pleit ik voor een liturgie die een duidelijke structuur heeft die steeds terugkeert, terwijl er binnen die structuur alle ruimte moet zijn om ‘met de meubels te schuiven’. Je maakt ruimte voor een koor of cantorij, er zou gedanst moeten kunnen worden of vrolijk geklapt (maar zodra klappen ‘moet’ ben ik niet thuis!), je loopt naar voren om een kaarsje aan te steken of richt een heuse maaltijd aan.
Tegelijk moeten we goed beseffen dat de ‘kwaliteit’ van onze diensten niet zozeer afhangt van de toevallige voorganger, maar van de feestgangers! Zij bewaren het Geheim door alle veranderingen heen.




Sociale media
Follow @KerkDenHaag