Archief
Jaargang:

In de kratten van de voedselbank: Groen-gele babyprut: ‘Best lekker hoor!’

Door Margot C. Berends
Gepubliceerd mei 2010, jaargang 13, nr. 126

Reportage Wie wekelijks gratis producten bij de Voedselbank haalt, moet maar afwachten wat er in het pakket zit. ‘Je mag een gegeven paard natuurlijk niet in de bek kijken.’ Maar tegen een op z’n kop ingepakte paashaas zeg je natuurlijk geen ‘nee’.

Illustratie Willeke Brouwer

Iedere week staan er in een achterzaaltje van de Agneskerk (Beeklaan, een van de Haagse afgiftepunten) stapels kratten klaar voor klanten van de Voedselbank Wat zit daar nou in? Ik ga er eens een middagje langs. Vandaag zie ik tussen het aanbod zó al drie dingen die ik zelf nooit zou kopen: vijf blikjes tonic, een pak instant cappuccino en cup-a-soup. De ophalers moeten het doen met het aanbod van dit moment. Hebben ze er werkelijk iets aan?
Een man: ‘Ja hoor, ik heb er veel aan. Tja, je mag een gegeven paard niet in de bek kijken hè? Wat ik niet gebruiken kan, geef ik terug. Chips bijvoorbeeld, dat eten we nooit. Of pindakaas. Leuk is het niet, dat we dit nodig hebben. Mijn vrouw durft de spullen niet op te halen. Ze schaamt zich. Daarom ga ik.’

Het potje pindakaas en de chips gaan in een krat met overtollige spullen. Die worden weer verder verdeeld, vertelt een vrijwilligster. In de teruggeefkrat zie ik een verzameling Olvarithapjes voor kinderen van acht maanden. De vrijwilligster zegt: ‘Veel mensen zonder kleine kinderen willen dit niet. Maar als je een paar potjes bij elkaar doet, kan het als stoofschotel dienen voor een volwassene.’ Ik trek een twijfelend gezicht, met een blik op de groengele papperige inhoud. Maar de vrijwilligster zegt: ‘Best lekker hoor!’

Maagzweer
Een vrouw vertelt: ‘Nou, ik mis wel wat dingen. Er zitten altijd weinig groenten en fruit in. Of melk, dat heb ik nodig voor mijn zoontje. Je mag natuurlijk niet klagen, en dat doe ik ook niet. Ik doe het er maar mee. Maar er is soms weinig variatie. Als ik weken achter elkaar spruitjes krijg, denk ik: mwâh. Bovendien, die zijn toch al goedkoop. Dure dingen, zoals vruchten, ontbreken.’
Een andere vrouw: ‘Wat ik hier kan krijgen, zie ik als bijvoeding. Ik ben er erg blij mee. Op zich is het niet leuk dat ik naar de Voedselbank moet. Maar het moet maar, hè?’
Ik zie drie potjes Olvarit in haar krat staan. Heeft ze kinderen? ‘Nee, dit is voor mezelf. Ik heb soms last van een maagzweer, en dan komt dit soort licht verteerbaar eten goed van pas.’

Paus Johannes Paulus II tuurt peinzend naar de stapel voedselbankpakketten.

Foto Margot C. Berends

Paus Johannes Paulus II tuurt peinzend naar de stapel voedselbankpakketten.

Spaargeld
Het is maar net wat we binnenkrijgen, zegt de coördinatrice van dit uitgiftepunt. ‘Soms zijn het producten die nog maar een paar weken houdbaar zijn. Soms zijn ze verkeerd ingepakt. Zo hadden we een partij paashazen die op hun kop in de verpakking zaten. Onverkoopbaar. Of soms is er iets in de voedingsinformatie vergeten bij te zetten. Ook dan mag het niet verkocht worden.’
De Voedselbank is voor mensen die, na aftrek van alle vaste lasten, nog 175 euro per maand te besteden hebben voor één volwassene. Voor een tweede volwassene 60 euro, voor een kind tot 12 jaar 25 euro en vanaf 12 jaar 50 euro per maand. De coördinatrice, Therèse Dezaire: ‘Dat zijn allerlei soorten mensen. Sommigen zijn gewoon te roekeloos met hun geld omgegaan. Maar je hebt ook zelfstandigen die failliet zijn gegaan, die eerst al hun spaargeld hebben opgemaakt en door een tegenvaller opeens in de schulden komen. Of een hoogopgeleide ict-er die weggepromoveerd is en met wie geen goede financiële afspraken zijn gemaakt. Hij is werkloos, z’n spaargeld raakt op, hij komt in een depressie en belandt zomaar onder het bestaansminimum.
Of iemand kan de huur niet meer opbrengen en krijgt deurwaarders over de vloer met bijbehorende administratiekosten en boetes. Veel mensen weten de weg niet in de warwinkel van regelingen en subsidies. Of ze zijn lange tijd te trots om hulp te vragen, proberen zelf het hoofd boven water te houden. Tot het niet meer lukt.’

Bloesje
Een man meldt zich intussen bij de vrijwilligster: ‘Mag ik een extra potje pindakaas?’ Dat mag.
De vrijwilligster wijst de klanten op gratis kledingstukken, die op een aparte tafel liggen. De Olvaritvrouw zegt: ‘Kijk eens, ik heb dat bloesje aan dat je vorige week aan me gaf!’
Een klein jongetje mag iets uitzoeken uit een bak met speelgoed. Hij kiest een etui.

 

| |