Archief
Jaargang:

In-Druk: Kerst en kleurpotloden

Door Rob van Essen
Gepubliceerd december 2009, jaargang 13, nr. 121

Column In ‘De Galerij’, de tochtige restanten van het afgebrande Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein in Amsterdam, sta ik bij mijn moeder die de ‘steun’ gaat halen. Het is nu de plek waar in de kelders van een lelijke bankkolos de vaderlandse schatkist onbereikbaar is opgeborgen.

Even onbereikbaar als de rijkdom die mijn moeder ons had willen geven, maar de ‘steun’ was te weinig om van te leven en te veel om van dood te gaan. Dus maakte ze in de avonduren ‘zwart’ kantoren schoon en mocht ik mee om de asbakken te soppen. Grauwe armoede in een onverwarmd huis in de Amsterdamse Pijp, waar we – moeder en drie kinderen – ons in de keuken warmden bij de gasvlam. En dan maar hopen dat het muntje niet op raakte. Dat moest er even een geleend worden bij de buurvrouw van twee hoog. Geen geld voor Sinterklaascadeaus, maar wel een tafel vol pinda’s op zaterdagavond, die we mochten doppen en opeten.

En toen kwam er tegen de Kerst een kaartje van ‘de Annies’, twee evangelistes die in de Amsterdamse binnenstad waren neergestreken. De bijbelclub was ons enige, wekelijkse uitje. Ofschoon moeder er niet aan deed, vond ze het al lang best ons op woensdagmiddag kwijt te zijn.
‘Wilt u komende week even langs komen, we weten dat u het niet breed hebt en hebben een kleine verrassing voor de kleine boeven.’
Wat mijn zusjes kregen weet ik niet meer, maar ik kreeg een prachtige doos Caran d’Ache kleurpotloden. Zo mooi dat ze mij nog haast onaangeroerd in de blikken doos op alle verhuizingen vergezeld hebben. En er was een uitnodiging om het kerstfeest bij te wonen op de Herengracht. Het werd de mooiste Kerst van mijn leven: een prachtig cadeau en naast mijn moeder luisteren naar het kerstverhaal en kerstliederen zingen bij de piano. Moeder was ook geroerd en zei: ‘Bij zo’n kerk zou ik wel willen horen.’ Maar helaas, op het fundamentalisme van de Annies werd neergekeken in de keurige kerken van toen. ‘Er ruist langs de wolken’ zingen en ‘Ere zij God’, daar mag het hart dan warm van worden, maar liturgisch verantwoord is het niet.

In de wilde jaren zestig vervreemdde ik van de bijbelclub. In het evangelische klimaat was ook weinig steun voor mijn linkse activisme. Maar wat ik nooit ben kwijt geraakt is de herinnering aan twee vrouwen die veel van Jezus en van Amsterdamse kinderen hielden. In het roerige Amsterdam van de Provo’s richtten politieke geestverwanten een ‘anti-kerstkapel’ in met foto’s van Vietnamese oorlogsslachtoffers. Niks vrede op aarde, waar zijn we mee bezig!
Natuurlijk hadden ze gelijk, maar toch maakte ik het niet mee. Want in de gure wereld van uitkeringstrekkers, alleenstaande moeders en oorlogsslachtoffers moet toch ook ergens het visioen van de vrede levend gehouden worden. Tegenwoordig mag het weer, want God is geen vijand van luxe en geluk, zo horen we terecht.

Als we bij het zingen de kinderen dan maar niet vergeten, die met kleurpotloden en liefde een levenlang verder kunnen. 

| |