Archief
Jaargang:

In-druk

In-druk: Pasen en Pinksteren op één dag

Door Rob van Essen
Gepubliceerd mei 2009, jaargang 12, nr. 116

In-druk

In de crypte van een Franciscaanse kerk in Rome kun je een wonderlijke attractie bezoeken. Daar rusten namelijk de resten van honderden monniken uit het klooster dat daar vroeger was. Nou ja, rusten. IJverige medebroeders hebben botje bij botje gelegd en wel zo dat er allerlei religieuze symbolen zichtbaar zijn geworden. Van de ruggenwervels zijn verder lampenkapjes gemaakt en van enkele broeders hangt het skelet aan draadjes. Gekleed in een monnikspij kijken ze de bezoeker bestraffend aan. Een levende, oude monnik bij de deur neemt een kleine bijdrage in ontvangst en geeft een bidprentje met een tekst van Franciscus over ‘broeder dood’.

De groepen die ik erheen leidde, vonden het meestal wel ‘eng’ of werden wat lacherig, maar diepe religieuze gevoelens zag ik niet ontwaken. Ten diepste is dit ook – ondanks de talloze knekels – geen confrontatie met de dood. Mensen worden hooguit bepaald bij hun eindigheid. Wie met de dood geconfronteerd worden, dat zijn de nabestaanden van de honderden verkeersdoden in ons land. De werkelijkheid van de dood slaat een gat van verdriet in hun leven. Wat ‘dood’ is, ervaren zij die door welke oorzaak dan ook de mens kwijt raakten die het leven kleur gaf.

In de Schriften is de dood meer dan het enkele feit van onze sterfelijkheid. De dood is daar waar mensen voor elkaar onbereikbaar worden, waar toekomstperspectief ontbreekt en alles aan het eigen belang wordt gemeten.

In Ezechiël 37 wordt ons een wonderlijk visioen overgeleverd. De profeet richtte zich tot de ballingen in Babel. Israël is een knekelhuis en bij de deur zit een monnik die bidprentjes uitdeelt. Een stem zegt de profeet goed te kijken naar een dal vol dorre doodsbeenderen, dat Israël representeert. Het dal van de diepe duisternis, waar mensen elkaar niets meer te zeggen hebben.

‘Kop op’ of ‘Het was het beste zo’, zijn gemeenplaatsen die je in de mond (zouden moeten) besterven. De dood doet ons verstommen. Maar Ezechiël moet boven zijn macht spreken en bidden. Dan is er een geruis, een beweging: beenderen voegen zich aaneen. Ze worden zelfs bekleed met spieren, vlees en huid. Maar het blijven doden. En opnieuw profeteert en bidt de profeet dat Gods Geest de doden doet herleven. Even onmogelijk en onverwacht als doden die opstaan, zal Israëls terugkeer naar het beloofde land zijn. Vervlogen hoop en dromen, maar God geeft zijn Geest en doet herleven.

De evangelist Johannes legt ook een nauwe samenhang tussen opstanding en de gave van de Geest. De Opgestane blaast over zijn leerlingen en zegt: ‘Ontvang de heilige Geest.’ De Geest maakt hen opstandig, een gemeenschap die het – in navolging van Jezus – opneemt tegen de dood.

In ons wereldbeeld is dat onzin. In een rouwadvertentie zet niemand: ‘We nemen het niet!’, zei Fons Jansen ooit. Maar Jezus is Gods betrouwbaarheid in eigen persoon. Hij roept Lazarus met luide stem naar buiten: exodus! Dit zevende en laatste teken bij Johannes verwijst zowel in de taal als de beelden naar het Paasevangelie. Het verkondigt dat er door ballingschap en dood heen een weg naar het leven is. De dood wordt niet ontkend, maar is bij Johannes realistischer aanwezig – cynisme, ontreddering, ongeloof en de stank van het verval – dan in de Franciscaanse crypte.

De Geest doet ons opstaan uit apathie en ongeloof. Mensen worden aan elkaar teruggegeven en er gloort toekomst voor wie zonder hoop zijn.

Sinds Jezus worden de doden steeds opstandiger.

 

 

 

 

| |