Archief
Jaargang:

Ingezonden: paaskaars + wonderen

Gepubliceerd juli 2011, jaargang 14, nr. 137

ingezonden

Paaskaars
Als parochiaan van de Elandstraatkerk en coördinatrice van de sector liturgie wil ik reageren op het artikel in KDH 135, over paaskaarsen. 1. In onze (rooms-katholieke) kerk brandt de kaars het hele jaar: de verrezen Christus is altijd aanwezig. 2. De oude paaskaars van 2009 is opgebrand in de kapel van Maria. 3. Een paaskaars is sowieso geen ‘presentje’ en zeker niet voor een zelfgekozen bedrag. 4. Huispaaskaarsen worden zeker al vijftien jaar bij ons in de kerk aangeboden. Ik heb daar zelf de zorg voor. 

Trees Krans, Den Haag

Wonderen
Ik reageer op het interview met Marleen Barth in KDH 135. Op een seminarie in de Kloosterkerk ongeveer vijftien jaar geleden stelden de toen aanwezige professoren: ‘Wat ons betreft is het letterlijk nemen van de wonderen van de bijbel een gepasseerd station.’ Ik herinner me een emotionele ds. Carel ter Linden, die uitriep: ‘Hoe moet ik ze beiden vasthouden? U moet eens weten hoeveel volksstammen de wonderen wel letterlijk nemen.’ Die volksstammen zijn er nog steeds in de PKN.
In de jaren zeventig zijn theologen begonnen de wonderen weg te redeneren en nu, veertig jaar later, gaan we de balans opmaken. Wat blijkt nu: wie de wonderen wegredeneert, trekt de bijbel uit zijn voegen, holt de originele theologie uit en creëert voorgangers en gelovigen die de weg kwijt zijn.
De ontvangst van de Heilige Geest is gekoppeld aan het letterlijk nemen van de wonderen. Maarten ’t Hart heeft een boek geschreven over het ‘psalmenoproer’ en ik ben in de kerk bezig met een ‘wonderoproer’.
Moeten wij ons zomaar overgeven aan een mysterie? Mysteries kunnen ontrafeld worden en ervaringen van wonderen kunnen wetenschappelijk geanalyseerd worden en de resultaten sluiten de wonderen niet uit.
Hierbij wil ik de rooms-katholieke kerk feliciteren met haar vasthoudendheid. Dat ervaar ik als een enorme steun in de rug. Jezus zegt tegen de ongelovige Thomas: ‘Zalig die niet gezien hebben en toch geloven.’

J. van der Hoeven, Den Haag

| |