Archief
Jaargang:

Kerkbank, Van voor af aan (slot)

Door Jan Schinkelshoek
Gepubliceerd december 2008, jaargang 12, nr. 111

Column Kerkbank.

‘Gij zijt die man…’

De scherpe aanklacht tegen koning David is voor mij een van de meest dramatische hoogtepunten uit de bijbel.

Ontmaskerd als iemand die zich vergrepen heeft aan het liefste van een ander, veroordeelt de koning onbewust zichzelf genadeloos. Wie zoiets doet, moet ter plekke worden geëxecuteerd, roept hij uit. Waarop de profeet de arm uitstrekt en uitroept: ‘Gij zijt die man…’

Van dat aangrijpende moment – die directe taal, alsof de bijbel van mens tot mens spreekt, alsof God zelf het woord neemt – is in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) weinig meer over. Wie het verhaal van Davids vreemdgang naleest in het eerste boek van Samuel, krijgt een veel afgevlakter versie. De profeet voegt de koning heel wat minder verontwaardigd toe: ‘Die man, dat bent u.’

Het is natuurlijk maar een klein, achteloos, bijna te verwaarlozen voorbeeld. Maar het geeft voor mij precies de winst én het verlies van de NBV aan. In vergelijking met de Statenbijbel – de vertaling waarmee ik ben opgevoed: drie maal daags een portie – is de eenentwintigste-eeuwse vertaling vlakker, gelijkmatiger en vooral ook verhalender.

Direct na verschijning van de NBV, najaar 2004, ben ik de bijbel gaan herlezen. Van voor af aan. Boek na boek, hoofdstuk na hoofdstuk, pagina na pagina. Van Genesis tot Openbaring.

Het was gesneden koek voor me, dacht ik. Zo goed kende ik de Heilige Schrift wel. Maar toch werd het soms letterlijk een openbaring. Ik stuitte op half vergeten verhalen, deed onverwachte ontdekkingen, las bekende verhalen met nieuwe ogen, leerde anders kijken naar ingesleten teksten, ik keek op van het frisse taalgebruik.

De NBV is me in die stille uren, al lezend, herlezend en bladerend, gaandeweg dierbaar geworden. Ondanks het verdwijnen van de ‘kribbe’ in het kerstverhaal.

 Maar ik ben ook gaan beseffen wat ik mis. De Statenbijbel, de bijbel van mijn jeugd, bleek veel dieper wortel te hebben geschoten dan ik veronderstelde. Die taal miste ik. De statenbijbeltaal sprak ik, daarin kende ik het verhaal, daarmee vertelde ik het na. Die taal heeft me gevormd.

Voor mijn generatie is dit de taal waarin God bij wijze van spreken sprak. Het was voor protestanten sinds de Dordtse synode van begin zeventiende eeuw letterlijk ‘Gods Woord, getrouwelijk overgezet’.

 Dat gemis zal de Nieuwe Bijbelvertaling niet kunnen compenseren. Dat kan ze niet, dat wil ze ook niet. Daarvoor is de nieuwe vertaling veel te veel uit ander hout gesneden. Waar de Statenbijbel welbewust een poging was om de ‘grondtalen’ zo goed mogelijk om te zetten in onze moedertaal, kiest de NBV voor een verhalender aanpak.

Niet het woord, maar het verhaal staat centraal, zo ben ik gaandeweg gaan ontdekken. Dat gaat ten koste van de letterlijkheid, maar komt de vertelling ten goede. In die hervertelling kan de bijbel steeds weer realiteit worden. De dode letter is op meer dan één plek voor mij een levend verhaal geworden.

 Al zal de profeet voor mij altijd onverbiddelijk en snoeihard tegen de koning blijven zeggen: ‘Gij zijt die man.’ En blijft de voederbak een kribbe. Maar misschien behoort die weemoed over de Statenbijbel wel tot de ijdelheid der ijdelheden. O nee, lucht en leegte…

 Dit was de laatste aflevering. Zeven jaar schreef Jan Schinkelshoek observaties vanuit de kerkbank. De laatste jaren concentreerde hij zich op zijn ervaring met de Nieuwe Bijbelvertaling.

 

 

| |