Archief
Jaargang:

Martijn over afkicken: ‘Therapeuten moeten verslaafden eens flink laten vallen’

Door Margot C. Berends
Gepubliceerd april 2009, jaargang 12, nr. 115

Interview Crisis, meer werklozen, meer verslaafden, meer daklozen. Het is niet moeilijk om deze maanden een somber scenario te schetsen. Daarom doet een ‘opstandingsverhaal’ als van Martijn goed. Hij is juist aan het opkrabbelen.

Van zijn voorgeschiedenis word je niet vrolijk. Als kind verwaarloosd, op z’n vijftiende aan de drugs, op straat terecht gekomen, tien jaar later meer dood dan levend, afgekickt maar weer teruggevallen, weer afgekickt, het ziekenhuis in geslagen, opnieuw verslaafd. Hij vertelt het allemaal in vogelvlucht.

Maar het vervolg van zijn verhaal stemt optimistisch. Martijn heeft zichzelf aan zijn haren uit het moeras weten te trekken.

 

Ontgiftigen

Martijn gebruikt inmiddels al twee jaar geen drugs meer en heeft een gezellige kamer in een begeleid-wonen-project. Wel krijgt hij nog medicijnen, maar hij streeft ernaar ook daar vanaf te komen. De laatste keer dat hij afgekickt is, heeft hij het helemaal zelf gedaan.

‘Zonder instanties, alleen aan mijn casemanager heb ik veel steun. Ik heb “dág” gezegd tegen alle hulpverlening, therapie en psychologie. Afkicken in een centrum bij Monster, praten en ontgiftigen tussen de vlindertjes en de bloemetjes, daar schiet je niet zoveel mee op. Zodra je daarna weer in de stad bent is het dealers en hard cash wat de klok slaat.’

 Verslaafd aan het praten

Maar hoe kon Martijn dan op eigen kracht afkicken? ‘Juist doordat ik besefte dat ik het zelf moest doen. Op een gegeven moment heb ik gezegd: “Ik wil het gewoon niet meer.”

Als je drugs gaat gebruiken, neemt je weerstand langzaam af en na een jaar ben je verslaafd. Ga je begeleid afkicken, dan vervangt de therapie de drugs. Eerst ben je afhankelijk van verdovende middelen, daarna van het praten. Als die therapie vervolgens beëindigd wordt, dan heb je zo weer een terugval. Je hebt namelijk niet geoefend om weerstand op te bouwen. Hulpverleners zouden hulpvragers af en toe eens flink moeten laten vallen. Pas in de harde realiteit en door fouten te maken, leer je op eigen benen staan. Ik ben midden in die realiteit gestopt met gebruiken.

Ik ben positieve dingen gaan doen. Vrijwilligerswerk, zoals schoonmaken in de gebruikersruimte van drugsverslaafden. Een medewerker zei eens: je hebt het moeilijk hè, moet je hier wel mee doorgaan? Ik ben gebleven en ben blijven oefenen, oefenen, oefenen. Eén keer was de verleiding groot; ik kwam een groep jongens tegen die me probeerden over te halen om drugs te gebruiken. Ik heb “nee” gezegd. Vaak vinden verslaafden zo’n weigering zo goed van zichzelf, dat ze als beloning de volgende dag tóch weer wat nemen. Maar ik zeg steeds tegen mezelf: je neemt vandaag niet, morgen niet, nooit meer.’

Martijn kent niet veel mensen die ook op eigen kracht zijn afgekickt. Verslaafden die hem vragen hoe ze dat moeten doen, vertelt hij onomwonden dat ze het zelf moeten willen en het verschrikkelijk moeilijk zullen krijgen.

Het systeem is kapot

Hij vergelijkt zijn situatie met de economische crisis . ‘Met man en macht proberen ze de economie weer draaiende te krijgen, met financiële injecties en allerlei maatregelen. Maar de eerste stap is dat iedereen moet accepteren dat het economische systeem kapot is. Met plakken en lijmen kun je de boel niet redden, daarna stort het tóch weer in. Er moet iets drastisch veranderen in het systeem zelf. Zo heb ik het in mijn eigen leven ook ervaren.’

Inmiddels geeft Martijn college aan studenten die een sociaal-pedagogische opleiding doen. Daar vertelt hij over zijn leven. In de toekomst zou hij wel in de gemeentepolitiek of in de hulpverlening willen, om zijn ideeën te kunnen spuien.

‘Ik ben bijvoorbeeld tegen het drugsbeleid van de regering. Drugs moeten gewoon niet verkrijgbaar zijn. Tegen tabak zijn ze toch ook streng opgetreden?’

Martijn beseft dat hij er nog niet is. ‘Als ik zeven jaar clean ben, dán misschien pas. Waarom ik dat getal van zeven noem, weet ik ook niet precies. Een gevoel.’

De naam Martijn is een gefingeerde naam. Inmiddels gaat het zo goed met de geïnterviewde, dat hij liever niet meer met zijn eigen naam in dit artikel genoemd wil worden.

 

| |