Het spirituele gehalte van de avant-gardekunst
Mondriaan en Toorop wilden betere wereld
Door Jan Goossensen
Gepubliceerd september 2009, jaargang 13, nr. 118
Agenda Beroemde schilders wilden honderd jaar geleden met oosterse spiritualiteit de wereld bevrijden van oorlog en andere narigheid. Helaas, het lukte niet. Toen werden ze maar lid van de kerk.
Veel avant-garde kunstenaars die zich honderd jaar geleden afzetten tegen het westerse materialisme en oorlogsgeweld, dronken uit tal van spirituele bronnen. Ze verdiepten zich in theosofie, antroposofie, kabbala, boeddhisme, gnosis en oude woestijnvaders. In oosterse religies en andere utopische bewegingen hoopten ze inspiratie te vinden voor een nieuwe taal en nieuwe beelden.
In het Gemeentemuseum Den Haag, dat rijkelijk bedeeld is met avant-gardekunst uit het begin van de twintigste eeuw, wordt deze maand een boek gepresenteerd over het spirituele gehalte van schilders en schrijvers als Mondriaan, Kandinsky, Malewitsj, Van Doesburgh, Toorop en Lucebert. De schrijvers, Frank Bosman en Theo Salemink, zijn verbonden aan de Faculteit Katholieke Theologie in Utrecht en Tilburg.
Geen vage spielerei
Het is merkwaardig, aldus Theo Salemink, dat de twintigste-eeuwse avant-garde lange tijd is gezien als voorbode van de moderne, geseculariseerde dus godloze tijd. Het tegendeel is echter het geval. De kunstenaars waren juist geïnteresseerd in uiteenlopende vormen van spiritualiteit. Hun spiritualiteit was bovendien geen vage spielerei, maar moest concrete doelen dienen: de wereld redden van militarisme, nationalisme en materialisme. ‘De avant-garde was een opstand tegen de moderniteit van het begin van de twintigste eeuw.’
Een bekend schilderij van Mondriaan uit het Gemeentemuseum, de ‘Rode molen’, kan bij uitstek op een spirituele manier geduid worden, aldus Salemink. Mondriaan, die theosoof was, wilde met de rode kleur en de opmerkelijke stand van de wieken de molen weghalen uit een landschappelijke omgeving. ‘Het schilderij is een icoon van het zoeken naar het hogere.’
Kandinsky is bekend geworden door zijn publicatie ‘Über das Geistige in der Kunst’. Daarin vroeg hij aandacht voor zijn stelling dat kunst bij uitstek een schepping van de geest is. Linnen en verf zijn altijd méér dan ze lijken. Salemink: ‘Kandinsky kwam uit bij een niet-godsdienstige en niet kerkelijke spiritualiteit. Noem het een spiritualiteit sui generis.’
Geen troost
Sommige avant-garde kunstenaars verloren na verloop het geloof dat kunst een nieuwe maatschappij kon opleveren. Toen de vernieuwing van Europa uitbleef en de politiek het oorlogsgeweld van onder andere de Eerste Wereldoorlog en het nationalisme niet kon stoppen, realiseerden ze zich dat kunst de mensheid uiteindelijk geen troost kon bieden.
Sommigen van hen traden na verloop van tijd zelfs – weer – toe tot de kerk. In alle gevallen was dat de rooms-katholieke kerk. Salemink: ‘Dat is te meer opmerkelijk, omdat hun idealisme juist was voortgekomen uit verzet tegen de in hun ogen versteende kerkelijke Europese traditie. Wellicht had de westerse religieuze traditie toch meer in huis dan ze eerst dachten.’
Toorop, Frederik van Eeden, Theo van Doesburg en anderen werden rooms-katholiek. Salemink: ‘Vaak werden ze zelfs zwaar orthodox, maar het bleven tegelijk eigenzinnige mensen, gericht op het maken van individuele, charismatische kunst.’ Sommigen stopten helemaal met schilderen. Anderen, zoals Toorop, ‘werden erg zoetsappig’. Salemink: ‘Je kunt dat ook het einde van de kunst noemen.’
Op het symposium in het Gemeentemuseum spreken behalve Frank Bosman en Theo Salemink ook conservator Hans Janssen (‘Kunst in de XXste eeuw, een revolutie’), theoloog Marcel Poorthuis (‘Nieuw mysticisme en moderne kunstenaars’) en filosoof Leon Hanssen (‘De rode molen van Piet Mondriaan’).
Zondag 13 september, 13-17 uur. Gemeentemuseum. Toegang € 10.





Sociale media
Follow @KerkDenHaag