Archief
Jaargang:

Op je sokken de grens over

Door Rob van Essen
Gepubliceerd oktober 2010, jaargang 14, nr. 129

In-druk

Ik vrees dat ik behoor tot de categorie van dwangmatige verzamelaars. Meters ordners, plak- en fotoboeken bepalen mij erbij dat ik meer jaren achter dan vóór mij heb. Ik heb een bescheiden begin gemaakt de duizenden dia’s met vakantievreugde en kinderzegen te digitaliseren. Maar ik moet minstens gezond tachtig worden wil alleen al die klus tot een goed einde gebracht worden. En zal de dvd-speler dan nog bestaan om ze weer aan het licht te brengen? En wie zet het dan over naar een nieuw medium, als dat nog kan?
Zo realiseer ik me, met velen vóór mij, dat heel het leven een onvoltooid project is, waarbij je je niet moet verbeelden greep op het eindresultaat te hebben. Het is een thematiek die ook Voskuils zevendelige Het bureau beheerst. Wat hij steeds als nutteloze arbeid beschouwde, wordt gaandeweg een project met een eigen dynamiek. Maar eenmaal gepensioneerd moet hij accepteren dat niet alleen wijzelf, maar ook onze projecten eindig zijn. ‘Lucht en leegte’, verzuchtte iemand lang geleden in bijbelse tijden.
Velen die de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela gingen, ervoeren dat de rijkdom ervan niet zat in het bereiken van het einddoel, maar in het gaan van de weg. Geen saaier mensensoort dan zij die ‘gearriveerd’ zijn, alles al gezien en overal een mening over hebben. Geen reisverhaal zo vervelend als van mensen die onderweg al hun vooroordelen bevestigd zagen: oppervlakkige Amerikanen, luidruchtige Duitsers, onbetrouwbare Italianen. Kortom, we hebben het geweldig met onszelf getroffen en zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.
Geef mij dan maar de mensen die zich laten verrassen en met verwondering om zich heen kijken. Ze vertellen dat ze in Napels hun fototoestel op een terrasje lieten liggen en de ober kwam hen hijgend achterop, met de camera! Het was ook genieten bij de reisverslagen van Jelle Brandt Corstius, waardoor je met nieuwe ogen naar Rusland en de bewoners ging kijken. Net gewone mensen daar, net als wij verlangend naar geluk en zich neerleggend bij of protesterend tegen blinde, bureaucratische begrenzingen.
Met een beroep op de (nationale) veiligheid en de economische wetmatigheden worden de vrijheden van individuele burgers steeds meer aangetast. Ook in de Nederlandse politiek mag je tegenwoordig bepleiten dat een deel van onze bevolking op grond van hun godsdienst tweederangs of ongewenst is. Het was op de luchthaven van Seattle deze zomer, waar ik mij ergerde aan de strenge veiligheidsmaatregelen. Als pingpongballetjes op een lopende band werden we langs de geüniformeerde beambten gedreven. Schoenen uit, riem af (met afzakkende broek), horloge en portemonnee, colbert en handbagage door de scanner. Op je sokken door het poortje en maar hopen dat er niets piept. Een oude dame moet haar borduurschaartje achterlaten, een jongeman met spuitbusje in de rugzak wordt als crimineel bejegend.
Maar dan, alles afgelegd, op kousenvoeten, rijk of arm, mogen we het beloofde land binnen. Wie en wat je bent zit niet in wat je meesleept of bewaart, in godsdienst of afkomst.
Op hun sokken zijn alle mensen gelijk. 

 

| |