Archief
Jaargang:

Pieter van der Horst: ‘Jodenhaat is van alle tijden’

Door Henk van der Zwan
Gepubliceerd april 2009, jaargang 12, nr. 115

Achtergrond De passage die Pieter van der Horst moest schrappen tijdens zijn afscheidscollege, klonk onlangs in de Vredeskapel. De islamitische wereld heeft de fakkel van de jodenhaat van de nazi’s overgenomen, stelt hij.

‘Jodenhaat is geen christelijke uitvinding.’ Zo begint Pieter van der Horst, voorheen nieuw-testamenticus aan de Universiteit Utrecht, in de Haagse Vredeskapel zijn lezing over antisemitisme.

Na enkele positieve beoordelingen door de oude Grieken noemt hij Alexandrijnse voorbeelden uit de hellenistische tijd, waarin joden beschuldigd worden van atheïsme en misantropie. Een verklaring is de Griekse vertaling van de tora waar Exodus een deel van is. Ook niet-joodse intellectuelen konden de tekst daardoor in de derde eeuw voor de gebruikelijke jaartelling lezen. Afkeer van Egypte werd steeds vaker opgevat als haat jegens de mensheid en het ontkennen van goden.

 Afscheidscollege

Van der Horst neemt nu een paar sprongen en komt op joods kannibalisme, de godsmoord, middeleeuwse beschuldigingen van rituele moord op christelijke kinderen, nazi-propaganda en beweringen over antisemitische uitingen van islamitische zijde. Het valt op dat hij voornamelijk een door het Utrechtse universiteitsbestuur geschrapt deel van zijn afscheidscollege voorleest.

Het punt dat Van der Horst daarin vorig jaar wilde maken, is dat de islamitische wereld de fakkel van de jodenhaat van de nazi’s heeft overgenomen. Daar blijft hij nu bij stilstaan. Met de meest concrete illustratie van zijn these, Hajj Amin al-Hoesseini, die banden met Hitler zou hebben gesmeed, komt hij pas tijdens de vragenronde.

Door Duitse termen te gebruiken creëert hij een continuüm van antisemitisme vanaf de Oudheid. In islamitische anti-joodse propaganda, die, volgens Van der Horst, in omvang en ernst die van de nazi-tijd overtreft, is het beeld van joden steevast dat van bloeddorstige monsters, zo niet erger. Gewone islamitische gelovigen willen, volgens hem, niet anders geloven en daarom zijn er nu meer jodenhaters dan ooit. Palestijnse wetenschappers, die beter weten, verheffen hun stem niet, integendeel, men doet er een schepje bovenop. Joden leven opnieuw in angst.

 Verwijt

Theologen moeten, zo zegt Van der Horst, een vuist maken tegen deze jodenhaat, door gedegen kennis aan te dragen. In de volledige versie van zijn afscheidsrede komt vervolgens een verwijt aan het adres van de politiek correcte ‘linkse kerk’ en met name de Utrechtse faculteit die het omgekeerde doet; marginalisering en minimalisering van zijn vakgebied en daarmee samenhangend, zijn ongewilde, vroegtijdige emeritaat. Dit aspect blijft in de Haagse Vredeskapel achterwege.

 Komma weghalen

Van der Horst gaat zijn lezing verder met bijbelkritiek. Drie passages worden behandeld.

Johannes 8:44. Jezus noemt joden hierin kinderen van de duivel. Johannes kan na een breuk met het jodendom geen dissidenten gebruiken en legt daarom in de polemiek Jezus, als hoogste autoriteit, woorden in de mond. Wij mogen die niet meer herhalen. ‘Johannes zou dat nu met mij eens zijn. De auteur is natuurlijk niet verantwoordelijk, maar hij weet dat hij met vuur speelt. Het vergt moed van theologen dit te vertellen aan gemeenteleden. Met goed gekozen voorbeelden moeten zij laten zien dat het niet om ketterij gaat, maar om nuchtere inzichten.’

Matteüs 27:25. Hierin zegt het (Joodse) volk dat Jezus’ bloed hun mag worden aangerekend. Het gaat volgens Van der Horst hooguit om een paar honderd man, maar de auteur wil de Romeinse overheid vrijuit laten gaan en spanningen tussen christenen en overheid reduceren. Ook de houding ten opzichte van Pilatus is opvallend positief. Terwijl de door hem vermoorde mannen en vrouwen niet te tellen zijn.

1 Tessalonicenzen 2:15. Paulus schrijft hier over de joden, die Jezus en de profeten hebben vermoord. Hier stelt Van der Horst voor om een komma weg te halen, waardoor het alleen om die joden gaat die Jezus werkelijk hebben vermoord, maar dan zou dat ook gelden voor de vermoorde profeten. Het kan ook een boze uitschieter zijn. Paulus was immers een opgewonden standje.

Aan het einde van de lezing zegt Van der Horst: ‘Mogen wij bijbelschrijvers op de vingers tikken? Ja, dat mag.’ En de context is tijdgebonden. ‘Niet eindeloos blijven herhalen. Dat kan niet meer en dat mag niet meer.’

 

 

 

| |