Archief
Jaargang:

Thuis geven

Door Rob van Essen
Gepubliceerd april 2011, jaargang 14, nr. 135

In-Druk

Onbekend maakt onbemind, zeggen we wel. Dat is in zekere zin ook zo. De ontmoeting met de ander kan vooroordelen weg nemen. Maar we moeten daar ook weer niet al te rooskleurig over denken. Juist mensen die we beter leren kennen, doordat we nauw met hen samenleven of werken, kunnen ons op de zenuwen gaan werken. Onbekend is soms wel zo vredig.

Ik denk aan die mij onbekende man die ik in het ziekenhuis bezocht. Geen kerkganger, maar ook geen afweer van zijn kant. Het gesprek was, zoals te verwachten, wat aftastend. Toen ik voorstelde nog eens terug te komen of hem later thuis te bezoeken, zei hij: ‘Ach, laat u het maar zo, we hebben toch een goede relatie’.

Ik vrees dat deze houding niet alleen bij randkerkelijken voorkomt. Ook meelevende christenen houden vaak liever wat afstand. Zeker, we belijden de ‘gemeenschap der heiligen’, maar deze theologische werkelijkheid krijgt in de praktijk maar moeizaam handen en voeten. Er zitten niet alleen sloten en beveiligingen op de deuren en ramen van onze huizen, maar ook op die van ons hart.

Het zijn juist de mensen uit de derde wereld die mij daar de ogen voor geopend hebben. Ik denk aan die Zuid-Afrikaanse studente in Amstelveen, die verkommerde op een flat. Dagelijks passeerde ze een hele rij deuren op haar woonlaag – allemaal stevig op slot. Nergens kon zij even binnen vallen om te vertellen hoe eenzaam ze zich voelde. Of waar ze de vragen kwijt kon die zich in haar vermenigvuldigden in een samenleving die zo anders was dan de hare.

Wat een moeite kostte het mij ooit om een jongerenkoor uit het buitenland één nacht onder te brengen bij gemeenteleden. ‘Ik spreek geen Engels’, was het zwakke excuus. Terwijl men tijdens de vakantie zonder moeite met handen en voeten ‘praat’! Afstandelijk zijn we – niet omdat we onmensen zijn. Maar uit gemakzucht, uit angst voor het vreemde, het andere. Maar tegenover de xenofobie – angst voor de vreemdeling – staat in het Grieks de liefde voor de vreemdeling: met ‘gastvrijheid’ vertaald in onze bijbel.

De ander ontmoeten hoeft er niet in te resulteren dat wij die ander aardig gaan vinden of dat we zijn gewoonten klakkeloos aanvaarden of overnemen. Er zijn grote culturele en psychologische verschillen tussen mensen – maar als die er niet waren was de ander ook niet de ander! Bij de mens die wij goed menen te kennen dreigt het gevaar dat wij het ‘anders-zijn’ niet meer opmerken of recht doen.
De vreemdeling – de andere mens – bepaalt ons erbij hoe toegesloten en voorgeprogrammeerd de werkelijkheid is waarin wij leven. Daarom is de vreemde in de bijbel vaak de representant van God: genadig brengt hij/zij onze blinde vlekken aan het licht.
Gastvrijheid is daarom niet alleen goed voor de gast, het is goed voor mijzelf. Er wordt een beroep op mij gedaan en ik ontdek hoe bevrijdend het is je hart te laten spreken.
Wie thuis geeft wordt een ander mens.

| |