Archief
Jaargang:

'Kerk had welbespraakte nieuwe elite nodig'

Tom van den Beld promoveert op jezuïeteninternaat

Door Walther Burgering
Gepubliceerd mei 2009, jaargang 12, nr. 116

Interview Ze moesten de katholieke kerk weer op de kaart zetten: de jongens van het internaat Convict Christus Koning. Van 1928 tot 1941 stond deze school in Den Haag, aan de Raamweg.

Tom van den Beld: Het moesten ‘godsdienstige, wetenschappelijke en fatsoenlijke mensen’ worden.

Tom van den Beld: Het moesten ‘godsdienstige, wetenschappelijke en fatsoenlijke mensen’ worden.

Tom van den Beld, oud-rector van het Haagse Aloysiuscollege en voormalig bisschoppelijk gedelegeerde voor het onderwijs, is gepromoveerd op een studie over het jezuïeteninternaat Convict Christus Koning. Het internaat werd in 1831 opgericht, toen rooms-katholieken – na eeuwen achterstelling – weer publiekelijk hun geloof mochten belijden en onderwijs ontwikkelden. Eerst was het in Katwijk gevestigd, daarna van 1928 tot 1941 aan de Haagse Raamweg, en uiteindelijk belandde het in Zeist.

Op het internaat namen de klassieke talen en de klassieke oudheid een prominente plaats in. Er werd grote nadruk gelegd op de eloquentia, de welsprekendheid in brede zin. De jongens moesten leren de katholieke geloofsovertuiging uit te dragen en de positie van katholieken in de overwegend protestantse samenleving te versterken en te verdedigen.

Van den Beld: ‘Godsdienst was dé leidraad van het internaatsleven. Alles moest in dienst staan van de eer van God en van het welzijn van de katholieke kerk. Dagelijks was er een mis en waren er godsdienstige bijeenkomsten en oefeningen, zoals meditatie, gewetensonderzoek, geestelijke lezing of lof. De biecht, de eerste communie en het vormsel vonden in schoolverband plaats.’

 

Voorbeeldfunctie

Opvoeden betekende voor de jezuïeten de vorming van de hele menselijke persoon. Niet alleen de intellectuele kwaliteiten waren belangrijk. De jongens moesten later kunnen functioneren als mannen die in alle opzichten een voorbeeld zouden zijn voor hun medemensen en die met verantwoordelijkheid leiding zouden kunnen geven. Het moesten ‘godsdienstige, wetenschappelijke en fatsoenlijke mensen’ worden, van onbesproken gedrag, met beschaafde manieren en verantwoordelijkheidsbesef. Ook orde en discipline werden bijgebracht, aldus Van den Beld.

De stichter van het internaat wilde een elite die zou helpen de katholieken weer op de kaart te zetten: ‘jongens van goeden katholieken huize’ en ‘uit den beschaafden stand’. Persoonlijkheden met sociaal gevoel en met de vaardigheid om zelfstandig en initiatiefrijk op te treden.

De leerlingen werden vooral gerecruteerd uit de meer vooraanstaande milieus. Op de leerlingenlijsten staan Brenninkmeijers (C&A) en Vrooms (V&D). De leerlingen zijn ruimschoots in hogere maatschappelijke kringen terechtgekomen, in het bedrijfsleven en vrije beroepen, en in overheidsfuncties en de politiek.

 

T.A.M. van den Beld, ´Katholieke jongens uit den beschaafden stand´. Het jezuïeteninternaat te Katwijk a/d Rijn, Den Haag en Zeist (1831-1960) en katholiek Nederland. Valkhof pers.

| |