Verandering
Door Paul Makken
Gepubliceerd februari 2010, jaargang 13, nr. 123
Het komt voor dat ik mij tijdens een gesprek laat ontvallen dat ik geboren en getogen ben in Delfzijl. Dat is meestal op een onbewaakt moment, want ik heb ontdekt dat ik daarmee mensen in verlegenheid breng.
Mensen willen namelijk altijd iets aardigs zeggen. En het is kennelijk een opgave om iets aardigs te bedenken over die plaats.
Personen van wie ik weet dat ze benijdenswaardige sociale vaardigheden hebben, zoeken net iets te lang naar complimenteuze woorden als ze geconfronteerd worden met mijn Delfzijl-mededeling.
Grapjes zijn makkelijker: ‘Delfzijl, da’s toch na Wladiwostok rechtsaf?’
Ik kom er regelmatig vanwege familiebezoek. Niet zelden wordt dan gezegd: ‘Geen kwaad woord over Delfzijl hoor, maar…’, en dan volgt een relaas over nieuwe tekenen van neergang van de gemeente. Ook positieve ontwikkelingen worden daar met een zure blik bekeken. De sanering van een achterstandswijk wordt gezien als afbraak en verlies, niet als hoop en nieuwe energie.
Die gemoedstoestand contrasteert met mijn jeugdherinneringen. In de zomer was het slootjespringen en hutten bouwen in het bos. En in strenge winters gingen we over ijsschotsen lopen achter de dijk. Levensgevaarlijk. Maar goed, in die tijd kwam opvoeding neer op liefdevolle verwaarlozing.
Onlangs zond de VPRO een documentaire uit over bewoners van een volkswijk in Delfzijl waar al jaren sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Ze willen niet weg uit de wijk, want het is het enige dat ze kennen. Ze zijn er geboren en getogen. In hun jeugd was het een gezellig drukke wijk waar volop werd geleefd en gespeeld. Waar vrouwen moeders waren en de vaders werkten in de fabriek. Er werd op straat gebarbecued en bier gedronken en de hele wijk was betrokken bij de fanfare met majorettes.
Nu zijn er enkel nog een paar gebroken gezinnen en alleenstaande mannen. Het verband is weg en wat rest is eenzaamheid. De hardnekkige hopeloosheid wordt treffend in beeld gebracht door een vrouw die nauwgezet het mos tussen de stenen van de stoep weg schraapt, terwijl twee deuren verder de sloopkogel door een huis beukt.
Wat mij trof was de onmacht tegenover verandering. Een Groninger kan tegen armoede en domme regelmaat. Maar hij kan niet tegen verandering.
Maar wat mij het meeste trof was het ontbreken van woorden. Echte Groningers zijn goed in zwijgen. Maar als ze toch willen spreken, kunnen ze vaak geen woorden vinden. Een emotioneel betoog van twee zinnen eindigt dan in een zucht als ‘… en al dat soort dingen’.
Als je geen woorden hebt, ben je machteloos. Ook tegen verandering.




Sociale media
Follow @KerkDenHaag