Archief
Jaargang:

Verhalen van Hennie de Mooij: ‘Ik kan toch niet de hele dag naar de Laak zitten kijken?’

Door Jan Goossensen
Gepubliceerd december 2011, jaargang 15, nr. 141

interview Interview Voor Hennie de Mooij (73) uit Laak is de kerk een deel van haar leven. Onlangs kreeg zij de erespeld van de Diaconie van de Protestantse Gemeente. Een interview met een vrouw die vol verhalen zit.

Hennie de Mooij: ‘Ik was de stuwende kracht. Niet te stuiten.’

Foto Rogier Chang

Hennie de Mooij: ‘Ik was de stuwende kracht. Niet te stuiten.’

‘Mijn vroegste herinnering stamt uit de oorlog. Vanuit de Laakkerk aan de Isingstraat ging ik met een stel oudere kinderen – ik was vier – naar een gezin in Friesland. We zaten in een vrachtwagen met een zeil erop. Bang dat we waren! In Heerenveen kwam ik in het huis van een fietsenmaker. Het eerste wat we er kregen, was soep. Goed bedoeld, maar veel te vet. Prompt werd ik misselijk.

Na de oorlog haalden mijn ouders me van de gereformeerde Bilderdijkschool af, omdat we iedere dag de drukke Rijswijkseweg moesten oversteken en daar kort na elkaar twee kinderen waren verongelukt. Voortaan ging ik naar de hervormde Julianaschool aan de Draaistraat. Het was zogezegd de eerste vorm van oecumene in het Laakkwartier. Maar niet tot genoegen van onze gereformeerde kerk. Prompt kregen wij twee ouderlingen op bezoek. “God zal wel voor uw dochter zorgen”, zeiden ze. Waarop mijn vader zei: “God heeft mij gelukkig ook hersens gegeven om zelf na te denken welke school het veiligst is.” Als ik nu in de Laakkapel om me heen kijk, zie ik nog steeds mensen met wie ik toen op de hervormde school zat. Raar hè, waar mensen zich vroeger druk om maakten.

In de kerk heb ik ook Bram leren kennen, met wie ik later getrouwd ben. Op een zondagochtend schoof hij voor de dienst naar me toe in de bank, omdat hij zijn psalmboek vergeten was. Mijn latere schoonzus zag dat gebeuren en riep meteen: “Ha, weer een dikke erbij in de familie.” Ik was toen niet al te slank. Maar ik was niet op mijn mondje gevallen en antwoordde direct: “Ik weet niet of ik hem wil hoor.” Gelukkig is alles goedgekomen. Kijk, dit krantenknipsel uit de Nieuwe Haagse Courant uit 1958 draag ik nog altijd bij me in mijn tas. Op onze trouwdag stonden we met foto en al in de krant: “Huwelijk van de dag”.

’s Ochtends vijf uur op
Ik ben lang voorzitter van de missionaire werkgroep van de kerk geweest. Bij elkaar hebben we twaalf kringen opgericht. We hadden activiteiten voor gescheiden vrouwen, voor alleenstaanden, we organiseerden gemeentezondagen waar we ook doven voor uitnodigden. Het was spectaculair. Ik was de stuwende kracht, niet te stuiten. En dan ook nog een jong gezin met twee jongens. Bovendien hielp ik mijn man, die bloemist was, met boeketten maken. ’s Ochtends vijf uur op. Gelukkig heb ik aan drie, vier uur slaap genoeg. Uit mijn kerkewerk put ik mijn energie, nog altijd. Ik doe nog steeds vijfentwintig uur per week vrijwilligerswerk.

Ik geef taalles aan een paar Turkse en Chinese vrouwen. Ik leer ze de woorden van alle organen, handig voor bij de dokter. Maar heel gek, ze weigeren thuis woordjes te leren. Daar verbaas ik me dan over. Komen ze terug en hebben ze de maag niet onthouden. Moet ik weer een tekening maken van het lichaam, met alle namen erbij. Ze schenken me wel hun vertrouwen en met elkaar praten we ook over persoonlijke dingen.

Koekje en een mobieltje
Ik help ook mee bij de voedselbank. Veel mensen die er komen, ken ik. Hier, zeg ik dan, dit heb jij nodig. We zijn met dertig pakketten begonnen, nu hebben we wekelijks honderdvijftig gezinnen. Toch durf ik te beweren dat er vroeger meer armoede was dan nu. Je kreeg één jurkje per jaar en kinderen aten alleen brood met suiker. Toen we uit de oorlog kwamen, had mijn moeder niets meer in de kast. Alles was geruild voor wat eten. Aardappelen waren er lang niet altijd. Een klodder groene erwten kon je krijgen. Zo heftig is het nu niet. De meeste klanten van de voedselbank hebben nog wel een koekje thuis en een mobieltje.

Mijn kracht put ik uit mijn geloof. Ik vraag buurtgenoten, moslims, hindoes, naar wat zij geloven, maar ik vertel hun ook altijd over het christendom. Velen weten niet dat de Oase, het diaconaal buurthuis in Laak, bij de kerk hoort. Zelfs de meeste nieuwe vrijwilligers weten dat niet. “O ja?”, zeggen ze dan. Tegenwoordig hoor ik vaak dat de kerk maar voor extra voedsel moet zorgen, omdat de voedselbank minder aanvoer krijgt. Ho ho, is mijn antwoord. Waar moet de kerk het geld vandaan halen als steeds minder mensen zich kerkelijk betrokken voelen?

Op mijn fietsje
De laatste dertig jaar heb ik het gevoel in een compleet andere wereld dan vroeger te leven. Nieuwe technieken, alles moet sneller. Mensen hebben minder tijd voor elkaar. Ik vind het moeilijk me geen vreemde te gaan voelen. Soms denk ik: ik hoor er niet meer bij. Maar jongeren mogen me graag en ik ben voor niemand bang. Ik rij op mijn fietsje ’s nachts om half twaalf nog door de buurt en als ik een groepje jongens zie staan, stap ik er op af. Dag jongens, dag oma.

Ik was de eerste in mijn omgeving die een computer had, maar omdat ik slechter ben gaan zien, kan ik hem niet meer gebruiken. Vier weken geleden heb ik mijn auto verkocht, eenentwintig jaar oud. Ik heb zelf de beslissing genomen. De laatste tijd reed ik alleen nog door bekende straten, om ouderen naar de kerk te brengen.
Aan stoppen met het vrijwilligerswerk denk ik nog niet. Ik voel dat ik nog nodig ben. En ik heb hier thuis wel een prachtig uitzicht over het riviertje de Laak, maar daar kan ik toch niet de hele dag naar zitten kijken?’

 

| |