Nieuwe rubriek: Verse theologie

Met ingang van het januari-nummer brengt Kerk in Den Haag een rubriek, gewijd aan nieuwe inzichten in de theologische wetenschap. Medewerkers van KDH geven in het kort de gedachtegang weer van een verrassende of belangwekkende publicatie van een bekende of onbekende man of vrouw, die in het ‘denken over God’ nieuwe wegen wijst. Hieronder: Rienk Lanooy over de theorie van Taede Smedes.

Het gebeurt me vaak bij enquêtes over wat ik geloof: de voorgeprogrammeerde antwoorden op de vraag wie God voor mij is, zijn zelden de mijne. Ze duwen me in hokjes waar ik niet zijn wil. Ik vraag me altijd af of ze geen betere kunnen bedenken.
Onlangs las ik het boek God, iets of niets? De postseculiere maatschappij tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ van Taede A. Smedes. Een heldere inleiding op het snel veranderende religieuze landschap in Nederland. Het gaat in op de vraag waarom ik – en ik vermoed: velen met mij – me dikwijls niet herken in de klassieke bewoordingen waarmee Godsgeloof wordt omschreven.

Smedes begint met popster David Bowie en het ongrijpbare van diens muziek- en levensstijl. Klassieke onderscheidingen voldoen niet meer om die te beschrijven en dat geldt ook voor zijn omgang met spiritualiteit. Daarmee is Bowie illustratief voor onze tijd. De traditionele tegenstelling tussen geloof en ongeloof verdwijnt in rap tempo en er komen nieuwe vormen van religiositeit voor in de plaats. Anders dan vaak wordt beweerd, worden we niet ongeloviger, maar anders-geloviger.
De traditionele tegenstelling is die tussen theïsme en atheïsme. Wat zij gemeen hebben is een klassiek Godsbeeld van een persoonlijke God die zich buiten het universum bevindt en kan ingrijpen in kosmos en mensenlevens. Theïsten omhelzen dit beeld, de ‘nieuwe atheïsten’ (Harris, Dawkins, Dennett) wijzen het radicaal af.

De manier waarop met religiositeit wordt omgaan, past allang niet meer in deze opvattingen. Veel mensen sprokkelen hun opvattingen bij elkaar en zijn daarin reuze flexibel. Grenzen tussen geloof en ongeloof zijn vloeibaar geworden. Smedes onderscheidt drie categorieën. Zo zijn er de ‘religieuze atheïsten’ die niets hebben met het traditionele godsgeloof (theïsme), maar die zich evengoed verzetten tegen het militante atheïsme en het nihilistische wereldbeeld dat leven en kosmos zinloos zijn. Zij noemen zichzelf religieus zonder dat ze geloven in G/god. Niet een hogere macht maakt het leven en de kosmos zinvol of heilig, maar zij zijn het in zichzelf. Zij roepen in de mens een diepe, mystieke verwondering op, die zin geeft aan het bestaan.
Daarnaast zijn er de ‘religieuze naturalisten’ die evenmin een bovennatuurlijke werkelijkheid aanvaarden, maar tegelijkertijd ervaren dat de evolutie niet een doel- en zinloos proces is, maar dat materie iets kan voortbrengen dat meer is dan de som der delen. Zij worden overweldigd door de schoonheid van de natuur, die verwijst naar het onkenbare, dat groter is dan de mens.
Ten slotte verwijst Smedes naar de ‘post-theïsten’ (als Kearney en Caputo), die vanuit theologische hoek zoeken naar nieuwe vormen van Godsgeloof, zonder dat van te voren vaststaat wie God is. Of je G/god met een hoofdletter moet spellen is daarbij al een vraag. Ook zij verwijzen opvallend vaak naar de mystiek, waarin het onkenbare van God een belangrijke rol speelt. Meister Eckhart is favoriet.

En Smedes zelf? Hij ziet graag een dialoog tussen deze nieuwe vormen van religieus geïnspireerde gedachtegoed. Ze vinden elkaar in de overtuiging dat – het nihilisme voorbij – de werkelijkheid uiteindelijk vol van zin en betekenis is.

Rienk Lanooy

Taede A. Smedes, God, iets of niets? De postseculiere maatschappij tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’. Uitgave Amsterdam University Press 2016.

Deel dit artikel