Column: Droomreis naar Scheveningen

Soms, als we ’s ochtends blij wakker worden, proberen we ons die mooie droom zo goed mogelijk te herinneren. Als jongeman droomde ik vaak over een paradijs. Ik vroeg me af waar dat zou zijn en of ik er überhaupt ooit zou komen.

Nu sta ik hier, op een duintop in Scheveningen. Ik kijk zo ver als ik kan. Achter de horizon, 7.500 kilometer verder, moet Nepal liggen. Daar begon ooit mijn levensreis. En ik huil van blijdschap, want mijn droom lijkt werkelijkheid. Tot lang na zonsondergang staar ik voor me uit. Met kneepjes houd ik me wakker. Ik weet dat slaap mij onvermijdelijk terugvoert naar de nachtmerries van vroeger.

Slaap ik soms?
Mijn naam is Manoj. Ik kom uit een onbeduidend dorpje in Nepal, dat Google Maps niet kan vinden. Ik ben als Dalit geboren, in de kaste van ‘onaanraakbaren’. Mensen die volgens het volksgeloof geen bestaansrecht hebben en op aarde hun straf uitzitten vanwege een bezoedeld, vorig leven. Mijn ouders waren arme boeren. Als kind vond ik het gewoon om achterin de klas te zitten, voedsel en water niet aan te raken (laat staan hoger geplaatsten), openbare ruimten als tempels niet te betreden en zo nu en dan in elkaar getrapt te worden. Die nachtmerrie hoorde bij het leven. Mijn vader vocht voor mijn toekomst door handgemaakte sieraden aan huis te verkopen en zo studiegeld in te zamelen. Plunderende troepen maakten daar tijdens de burgeroorlog van 1996-2006 een einde aan. Mijn wanhoop bereikte een dieptepunt toen ik verliefd werd op een vrouw buiten ons dorp, en… hé, slaap ik soms?! Manoj, word wakker!

Achter de zee verbeeld ik mij de Tibetaanse berg Kailash. Volgens stokoude overleveringen zouden de goden daar hun aardse verblijfplaats hebben en zo nu en dan op een trap afdalen uit de hemel. Als kind hoopte ik mij te reinigen met het water uit de Karnali-rivier, die bij Kailash ontspringt en langs mijn woonplaats stroomt. Daar zwom en viste ik met vriendjes.

De Karnali-rivier.

Toen ik net in Nederland woonde, fantaseerde ik soms dat de goden mij in dat water verdronken en meegevoerd hadden naar Scheveningen. Wat een vergissing! Want precies dat geloof in hun goden geeft hooggeplaatsten het blinde maar gerechtvaardigde vertrouwen om over andermans waardigheid te mogen oordelen. Bijvoorbeeld over mijn geliefde. Hoe kon zij, toevallig geboren in een hogere kaste, mij aanraken – zelfs met mij samenleven? Een smet op de zuivere bloedlijn van haar familie. De familie geloofde spiritueel verplicht te zijn om ons te vervloeken, en om de culturele eer te behouden, zo mogelijk te vermoorden.

Beest
De hel maken we zelf: dat is mijn geloof. Het kan ook anders. Hier op Scheveningen vissen en zwemmen mensen van alle rangen en standen in hetzelfde water. En kan iedereen een glimlach verdienen. Ik moest daaraan wennen; nooit eerder kreeg ik een harinkje met ‘prettige dag!’ toe. Soms stuit ik in de duinen op een buffel; het enige dat ik hier mis, is de vrijheid om op zo’n beest te springen, haha!

‘Veel Nederlanders geloven niet meer zo veel’, vertelde een vriend mij. Het is juist dankzij die Hollandse nuchterheid dat mensen hier zo goed leven. Want het ware geloof is zonder aanzien des persoons. Het paradijs maken we zelf. Hier ben ik gelukkig.

Tekst: Manoj

Meer over de Dalit:

In actie komen? Lees meer op website Dalits.nl

Deel dit artikel