Zielige plaatjes

Soms overweeg ik te bedanken voor al die menslievende clubs die ik vaak al decennialang ondersteun. Zeker, de lepra moet bestreden, de vluchteling gehuisvest, arm- en beenlozen hebben prothesen nodig, Alzheimer-patiënten mogen niet vergeten worden, Bijbels moeten verspreid, kinderen kunnen niet zonder leermiddelen, de natuur moet gered, blindengeleidehonden opgeleid en wezen kunnen niet zonder liefde.

En wat is het mooi dat er fraters en dokters zijn, landbouwkundigen, onderwijzers en bevlogen idealisten die zich overal ter wereld inzetten om het lot van anderen te verlichten. Zij doen wat ik soms nalaat, een reden te meer extra ruimhartig een gift over te schrijven. Als dank word ik op de hoogte gehouden van de projecten met kleurige of sobere druksels. Als bevoorrechte middenklasse Nederlander geen groot offer.

Maar… waarom moeten die clubs hun info vergezeld doen gaan van pakketjes ansichtkaarten, die ik nooit verstuur? Trouwens, welke jarige zit te wachten op een kaart die de feestvreugde tempert met het vermelden van enge ziektes of ellende ver weg? En dan al die pennen die bijgesloten worden, terwijl de meeste betalingen toch digitaal plaats vinden. Om nog maar te zwijgen van goede doelen die Euromunten rondsturen: ‘van dit bedrag kan een kind een maaltijd betalen’. Maar waarom krijg ik het dan? Stuur het naar India! Niet meer doen dus. Of je zit aan de maaltijd en iemand bedankt je telefonisch voor je trouwe steun. Dank, dank! Maar je weet al wat er komt. Na vijf minuten gevlei komt de vraag: ‘Kunt u uw gift verhogen?’. Of: ‘We hebben een nieuw project, wilt u dat voor een jaar steunen’. ‘U geeft twee keer per jaar. Wilt u niet maandelijks automatisch een gift af laten schrijven?’ Ik voel mij altijd harteloos als ik ‘nee’ zeg op al die suggesties. Schuldig zonder misdaad. In het nieuwe jaar, nu de Sint heelhuids Dokkum heeft verlaten, nog even iets over het ‘zwarte pieten’. Over heel de wereld zetten mensen zich in, schreef ik. Maar soms krijg je de indruk dat zwart en zielig synoniem is in het wereldje van de geldwervers.

Op één dag kreeg ik vier ‘bedelbrieven’ in de bus die het misverstand in leven houden dat Afrikanen het slechter getroffen hebben dan alle wereldburgers. De portretten van zwarte mensen op de enveloppen roepen mij toe: Lidia’s gezicht is ernstig aangetast! – Mijn gezin was nooit uit mijn gedachten! – Olpha verloor haar baby! – Kinderen hebben ruimte nodig!’ Misschien is een deel van de ergernis over het ‘anti-zwartepiet front’ daaraan toe te schrijven dat ze niet zielig zijn. Die lui sturen ons geen ansichtkaarten of pennen, bedanken ons niet met een gulle glimlach op een geschonden gezicht. Nee, terwijl ‘wij’ goed voor hen zijn, komen zij ons kinderfeestje bederven. Ze zitten niet meer in Afrika, maar bemoeien zich met onze tradities. (Wat wij enkele eeuwenlang dáár deden). Ze hebben een mening! Misschien is het niet de onze, maar dat mág in een democratie. Hoe dan ook: gevers en fondsenwervers, het is zielig in die oude stereotypen te blijven steken. Moeten we niet meer doen.

Rob van Essen