Paulus achterna (3): Wachter op de muren

‘De oorlog, klein of groot, laat ons geen rust’, dichtte Max Dendermonde in 1947. Ik ben van dat jaar, maar ook ik voel mij nog steeds een oorlogskind. Zo jong als ik was vertelde moeder mij over haar broer die in het verzet zat en in kamp Vught vermoord werd. Hoorde ik van ooms die in Duitsland gewerkt hadden en vreselijke dingen hadden gezien. Mocht ik geen klapperpistool als kind, want dat was een oorlogswapen. Mijn moeder was ‘werkster’ bij een chique mevrouw in Zuid, die was getrouwd met een Auschwitz overlevende. En moeder vertelde over het alom-aanwezige antisemitisme voor de oorlog. Haar keurige, middle-class-ouders zeiden: ‘Je mag met iedereen trouwen, als het maar geen jood is’. Heel die erfenis kwam terug toen we in Barbouta, de voormalige Joodse wijk van Berea (nu Veria) liepen.

Paulus’ eerste brieven

Voor de oorlog woonden hier zo’n 700 Joden, waarvan er enkele tientallen terugkeerden na de oorlog. Onder de gedeporteerden waren ruim 150 kinderen die vermoord werden. De mensen die terugkeerden gingen aanvankelijk weer in hun oude wijk wonen, maar hielden het daar niet uit. Zo eenzaam voelden ze zich, geplaagd door het verdriet over het samen-leven dat verwoest was. Nu woont er geen Jood meer in Veria. Maar er is nog steeds een kleine synagoge, wellicht op de plek waar Paulus rond het jaar 50 n.C., volgens het boek ‘Handelingen’, een welwillend oor vond voor zijn boodschap. Men ging de Schriften na en sommigen besloten zich te laten dopen, ook Griekse mannen en vooraanstaande Griekse vrouwen. Het is aan deze nieuwe, kleine groep volgelingen dat Paulus één van z’n eerste brieven schrijft. In die brief blijkt dat de tijd van dialoog met de joodse gemeenschap wel voorbij is. Paulus laat zich over de joden uit in termen die later door antisemieten gretig omhelst zijn. Maar we moeten ons wel realiseren dat het hier om een intern joods conflict ging.

Ik geneerde mij
Ook de profeten van het Oude Testament spraken hun volksgenoten aan in niet mis te verstane oordeelsprediking. En toch…toen de beheerder van de sobere synagoge ons het verhaal van de joodse aanwezigheid (die dateert van kort voor Paulus’ komst) vertelde, geneerde ik mij over de felle taal van de apostel. De beheerder zorgt al veertig jaar voor deze synagoge, die in de oorlog door de nazi’s verwoest is. Het enige dat onbeschadigd over was gebleven is de nis waarin de heilige boekrollen bewaard worden. De rollen zelf hebben de ramp ook niet overleefd. ‘Deze synagoge is géén museum’, zei hij. Hier wordt de gedachtenis bewaard aan de 60000 weggevoerden, waarvan 97 procent niet terugkeerde. Via Yad Vashem, het Holocaust-herinneringscentrum in Israël, kreeg hij de naamlijsten van de in 1944 weggevoerde kinderen. Ook de nieuwe generatie moet weten wat er gebeurd is, zei hij.

De beheerder benaderde scholen in Veria en in 2014 schreven kinderen een brief aan een omgekomen leeftijdsgenootje. Een aantal hangt in de synagoge: oorkonden van het bijbelse geloof dat God in de ‘kleinen’ een begin maakt met een nieuwe wereld. Veel was er niet te zien in de synagoge van Veria. Brieven van kinderen, een schoolboek van een weggevoerd kind, een Lege Arke. Maar er was een mens, een wachter op de muren, die aan ons en wie maar horen wil, het verhaal vertelt dat niet vergeten mag worden. Een wachter op de muren: komen er al kinderen aan die dansen en zingen op de straten en pleinen? Ik weet zeker dat heel ons gezelschap het hem helpt hopen.


Tekst en foto’s: Rob van Essen

Op de foto boven: de Lege Arke in de synagoge in Veria.

[slider speed=”1200″ timeout=”8000″ animationloop=”true” directionnav=”true”]

[slide]

[/slide]

[slide]

[/slide]

[slide]

[/slide]

[/slider]