Gelovig humanisme

De Brit Theo Hobson schreef het boek Gelovig humanisme. In een serie artikelen gaat hij in op het christelijk geloof in de huidige cultuur en kerk.

Er verschijnen veel boeken die het christelijk geloof een plek (terug) willen geven te midden van het seculiere denken. Hobsons boek Gelovig humanisme is er één van, één die opvalt. Het is geen doorwrochte analyse, maar een verzameling artikelen van de Britse auteur (1972), aangevuld met een interview en een samenvatting van zijn denken door samensteller Rick Benjamins.

Dat het geen doorwrochte analyse is, is geen toeval. De stijl staat bij Hobson voor de inhoud. Die is polemisch, anekdotisch, essayistisch, humoristisch, op het eerste gezicht even weinig samenhangend als de carrière van Hobson zelf. Als bibliothecaris, docent, kunstenaar, schrijver en bijna-priester in de Anglicaanse kerk heeft hij zich nooit thuis gevoeld in de vaak nogal op zichzelf staande wereld van de academische theologie of de kerk. Daar gaat het Hobson allemaal te institutioneel, te gesloten toe.

Luis in pels

Het is daarom ook niet toevallig wanneer hij in het interview met Benjamins zegt, dat hij ‘dicht bij de jonge Barth’ blijft. Ook de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) verzette zich aanvankelijk – we spreken de jaren tien en twintig van de vorige eeuw – met grote kracht tegen de instituties van de kerk die zich destijds vooral vereenzelvigden met en kritiekloos aanpasten aan de cultuur van die dagen. Hobson herkent zich in Barths kritiek op kerk en maatschappij vanuit het evangelie. Later zal Barth ‘kerkelijker’ worden. Hobson maakt een soortgelijke ontwikkeling door, hij komt dichter bij de Anglicaanse kerk te staan, maar blijft een kritische luis in de pels, zoals Barth dat was. Hobsons kritiek betreft trouwens niet alleen de kerk, ook het zelfgenoegzame seculiere denken neemt hij graag op de korrel (‘Atheïsme is laf en pretentieus’).

Festivalkarakter

Hobson levert niet alleen kritiek. Door alle artikelen heen, weven zich een paar rode draden die te denken geven. 1) De goedbedoelde, verlichte pogingen om het christelijk geloof acceptabel te maken voor onze cultuur, wijst Hobson af. In de kern is het geloof niet aannemelijk te maken (rationeel), maar het is ook geen onzin (irrationeel). Het is gegrond in een andere taal dan de gebruikelijke seculiere, namelijk die van het Woord. En dat Woord – typisch protestant – vertelt in alle eenvoud en ongerijmdheid ‘dat het goed komt met de wereld’ (‘Utopie is geen vies woord’). 2) Hobson wijst de liberale staat niet af. Integendeel, hij hecht aan het begrip vrijheid dat aan de basis ervan staat. Maar die vrijheid is geen natuurlijk gegeven – ze wortelt in een religieuze traditie, hij vraagt daarvoor bij de seculieren erkenning en tegelijk roept hij de gelovigen op om deze diepe verworteling te blijven voeden en te versterken. 3) Het mythisch-rituele karakter van het geloof zou in de kerk meer ruimte moeten krijgen: het mag wel wat excentrieker, extraverter, met meer ruimte voor de kunsten, aansluiting bij het festivalkarakter van onze tijd.

Al lezend kreeg ik waardering voor Hobsons poging om de theologie een plaats te geven in het maatschappelijke debat. Maar hij betaalt daarvoor ook een prijs. De gekozen vorm bepaalt de inhoud. Hobson prikt graag, maar graaft niet heel diep, hij stelt helder, maar onderbouwt vaak niet, hij wijst een weg, maar werkt die niet uit. Je bent er dus niet als je het boek uit hebt. Dan begint het pas.

Door Rienk Lanooy, predikant Kloosterkerk. Op de foto: The Passion in Den Haag.

Theo Hobson, Gelovig humanisme: Christelijk geloof en seculier denken, Middelburg: Skandalon 2019.