‘Ik vind wat jij niet vindt’

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Wie er aan tornt, tornt aan de basis van onze open samenleving. Je mag alles zeggen, de grootst mogelijke zin en de grootst mogelijke onzin. Maar soms bekruipt me het gevoel dat de vrijheid van meningsuiting hier en daar in plaats van een geboden mogelijkheid – je mag! – trekken krijgt van een opgelegd moeten – je zult!

Elly de Waard schrijft in haar dichtbundel In die tijd die (2016):

‘Overal een mening
over hebben mag –
maar val ook stil’

Ik herken in haar woorden iets van een oproep. Het hoeft niet altijd, een mening hebben. Je kunt ook eens passen in het gesprek over voors en tegens, over wat wel moet of niet hoort. Toch is dat niet zo eenvoudig. Door de veelheid aan meningen die je tegenkomt op Twitter, Facebook, in columns en opiniepagina’s, aan de borreltafel van elke Late Night Show, ligt de vraag al gauw voor in de mond: ‘Zeg, wat vind jij er eigenlijk van?’ En als een ander me die vraag niet stelt, dan doe ik het zelf wel: ‘Zeg, wat vind ik daar eigenlijk van?’

Zo had ik het nog niet bekeken

Soms vind ik ergens even niks van en ik geef onmiddellijk toe: dat zint me zelden. Ik vind dan dat ik er iets van vinden moet, liefst goed onderbouwd met houtsnijdende argumenten, liefst in een korte en catchy reactie. Maar achteraf vraag ik me dan af: wil ik de ander werkelijk begrijpen, of gaat het er meer om een antwoord te hebben, om mezelf in de etalage te zetten? In politieke debatten – met de verkiezingen in aantocht worden ze weer talrijker – komt het zelden voor dat iemand op de mening van een ander reageert en zegt: ‘Zo had ik het nog niet bekeken, mag ik daar nog eens over nadenken? Ik weet nog niet wat ik er van moet vinden.’ Ik zou dat geweldig heilzaam vinden.

Want de keerzijde van deze overvloed aan meningen zou ook wel eens kunnen zijn dat we niet meer goed kunnen onderscheiden tussen feiten en meningen, tussen wat is en wat ik vind. En ja, ik geef onmiddellijk toe: het grensgebied tussen die twee kan behoorlijk grijs zijn, maar waar het onderscheid wegvalt, regeert de willekeur. Dan wordt wetenschap ‘ook maar een mening’ met alle gevolgen van dien voor de discussies over bijvoorbeeld het klimaat of het vaccineren van je kind.

Iets minder mening kan geen kwaad, gevoed door de moed om eens een keer ‘stil te vallen’.

Door Rienk Lanooy
F