Emancipatie van stuntelaars?

‘Mijn beste mannen zijn vrouwen’, zei William Booth, de stichter van het Leger des Heils. Hij had de Bijbel beter begrepen dan de eindeloze stoet van kerkvaders en godgeleerden die altaar en kansel voor de helft van de mensheid taboe verklaarden. In dat patriarchale boek zijn het de vrouwen die geschiedenis maken! Het nageslacht van Eva zal de slang de kop vermorzelen. Dankzij de vroedvrouwen in Egypte overleven de Egyptische jongetjes. Mozes dankt zijn leven aan zijn zus en de dochter van de Farao. Rachab kiest de kant van Israël, zodat Israël het land van belofte in kan trekken. Maria geeft de engel haar fiat, zodat zij draagster wordt van de Beloofde. Het zijn vrouwen die op de Paasmorgen als de eerste apostelen de verrijzenis verkondigen.

William Booth had inderdaad een punt. De ‘bijbelse’ mannen – en zij niet alleen – laten het steeds weer afweten: Adam, Abraham, Jakob, Pilatus, Petrus, ze stuntelen wat af. Gelukkig zijn er vrouwen en heeft de Eeuwige veel geduld.

‘U HEBT MIJN ZONDAG WEL GOED VERPEST’

In mijn leven waren het ook twee Amsterdamse evangelistes die mij hielpen de grens van ongeloof naar geloof over te gaan. Als predikant in de grote steden mocht ik zo’n achttien jonge vrouwen begeleiden die, vanuit universiteit of hogeschool, een praktische stage in de gemeente deden. Dat was voor de gemeente, en voor mij, steeds weer verrijkend. Hun preken waren meestal ‘aardser’ en doorleefder dan die van de manlijke stagiairs. Hun werden soms zaken toevertrouwd, die men mij niet durfde/wilde vertellen. Weldadig vond ik dat zij mij soms vriendelijk, doch gedecideerd, bij mijn blinde plekken durfden te bepalen. Een vrouwelijk gemeentelid voegde mij na een minder geslaagde preek, tijdens de koffie toe: ‘U hebt mijn zondag wel goed verpest!’

Sollicitante

Zonder vrouwen zou ik nergens zijn. Afkomstig uit een gebroken gezin, was mijn moeder mijn rots in de branding. Een rode vrouw die zich dapper door het leven sloeg. Trouwens, in de jaren vijftig waren vrouwen in de arbeidersbuurten geen suffe sloofjes. Manlief overhandigde zijn loonzakje op zaterdag en kreeg dan van moeder de vrouw een rijksdaalder ‘voor tabak’.

Toen ik predikant werd in Amsterdam-Oost bestond het merendeel van mijn kerkenraad uit vrouwen. Mij viel dat niet eens op. In de verpleging, waar ik daarvoor werkte, was het merendeel van de collega’s vrouw. Hun aanwezigheid fleurde een afdeling altijd op.

Kerk- en buurtwerk en werk onder jeugdige gedetineerden – een Kampense theologe hielp onze diaconie in dit onbekende veld op weg. Toen ze wegging solliciteerde weer zo’n jonge, zelfbewuste vrouw. Inmiddels had men in de ‘hogere kerkelijke regionen’ en in de politiek ontdekt dat vrouwen meer kansen moeten krijgen. Dat vond de sollicitante ook. Zij vroeg: ‘Wat doet deze gemeente aan bewustwording van vrouwen?’ Ik keek haar vol onbegrip aan. Wat werd er eigenlijk, van pastoraat tot poen, níét door vrouwen gedaan bij ons? Het overtuigde de bevlogen emancipatiewerker niet. Voor het bewust maken van mannen, opdat het kader wat evenwichtiger zou worden, voelde ze niet. En zo bleven die mannen stuntelaars.

Gelukkig is de genade wel evenwichtig verdeeld over mannen en vrouwen.

Tekst: Rob van Essen