Brief van een moslim aan ‘zijn’ Maria, moeder van Jezus

Moeder Mariam,

Het is inmiddels een maand geleden dat ik u bezocht. Ik heb toen niet alles kunnen zeggen wat ik in mijn hart droeg.

Als kind hoorde ik de verhalen over u. Van mijn ouders, de imam en van de godsdienstjuffrouw. Later las ik de liefdevolle verwijzingen naar u in de Koran. Hoe u zich afzonderde van de mensen en hoe u uw leven doorbracht in dienstbaarheid van God. Maar ook hoe u werd gezegend met de geboorte van Jezus (Isa), mogen vrede en zegeningen met hem zijn. En ik leerde dat Profeet Mohammed (vrede zij met hem) zijn metgezellen naar de christelijke Abessijnse heerser stuurde om toevlucht te zoeken voor het geweld tegen de moslims in Mekka. Toen die heerser meer wilde weten over deze nieuwe religie, de islam, concludeerden beide partijen dat beiden enorm veel liefde koesterden voor moeder Mariam (zoals moslims Maria noemen) en profeet Isa. Ik heb naar u gezocht.

Kamer voor Mariam

Ik was voor het eerst in uw stad, Jeruzalem. Ik vertrok om 6 uur in de ochtend uit mijn hotel, op weg naar moskee Aqsa binnen de oude stadsmuren. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen haastten zich er al naartoe.  De oproep tot het gebed weerklonk steeds luider en op een gegeven moment zag ik de gouden koepel van de Rotskoepelmoskee en de groengrijze koepel van de Qibli moskee. Op dat moment begon het mij te dagen: hier ergens moet moeder Maria haar tijd doorgebracht hebben. Wat stond hierover in de Koran? Ik verrichte het gebed achter de imam, ik genoot van zijn recitatie en ik liep met deze vragen terug naar het hotel.

Later die dag kwam ik terug met dezelfde vragen. Waar vond alles exact plaats? Sommige antwoorden kreeg ik van de christelijke gidsen. ‘Dit is waar Jezus werd gewassen na het overlijden’, vertelde een gids mij. ‘Daar vond het laatste avondmaal plaats’, vertelde een andere. Hoewel dit inmiddels verworden zijn tot christelijke bedevaartplaatsen, weerhield dat mij niet om stil te staan bij deze bijzondere gebeurtenissen.

Uiteindelijk zei een moslimgids tegen mij: ‘In de Koran staat dat Mariam zich afzonderde in het meest oostelijke deel van de moskee. Daar hebben de moslims nu nog steeds een kamer aan haar gewijd.’ Ik bezocht de grote Qibli moskee nogmaals en liep naar dat meest oostelijke deel. De huidige moskee is gebouwd op een verhoogd plateau dat er vroeger niet was. Ik moest buitenom naar de ondergrondse moskee gaan, waar vroegere sultans de plaats hadden geïdentificeerd waar zij zich zou hebben teruggetrokken.

Ruhullah

Toen ik daar aankwam, voelde ik van alles wat ik niet goed onder woorden kon brengen. Waarom verlangde ik zo om hier te staan? Misschien omdat ik u altijd bewonderd heb als iemand die werd uitverkoren door God, als iemand die Ruhullah mocht dragen (letterlijk ‘ziel van God’, zoals moslims Jezus ook wel noemen), als iemand die een revolutie van liefde zou starten… Wellicht doet het u pijn om te zien dat uw stad nu zo verdeeld is en dat moslims en christenen elkaar niet altijd weten te vinden. Als broeders. Maar met deze brief aan u hoop ik daar toch een kleine verandering voor te mogen betekenen.

Ik hoop u gauw weer te mogen bezoeken. Vrede zij met u, moeder Mariam.

Amir Kazan

Reacties aan de auteur zijn welkom: redactie@kerkindenhaag.nl