In-Druk: Engelen incognito

Met vakantie gaan roept bij menigeen de vraag op: hoe regelen we de zorg voor het huisdier. Een overbuur schoot ons eens aan, ze zei: ‘Als u op vakantie gaat, wil ik best voor uw poezen zorgen hoor!’ Maar toen onze oude Roosje dagelijks medicijnen moest hebben, wilden we haar daar niet mee belasten. Dus dan moet er een goed pension gezocht worden.

Het is mij opgevallen dat (huis)dieren een belangrijke plaats in ons leven innemen, maar dat ze in theologie en preek – en pastoraat – nauwelijks aan bod komen. Mijn (overleden) vriend Jaap Mees was vegetariër, geraakt door Albert Schweitzers ‘eerbied voor het leven’. Hij (her)kende elk vogellied en noemde zich ‘ornitheoloog’.

Als gezin met twee kleine kinderen hadden wij een jonge herder, Peter, die heel lief voor ze was. Op een dag lag hij, drie jaar oud, dood op zijn mat. Een van de eerste sterfgevallen in mijn leven. Ik vertrouwde een vriend toe dat Peter wellicht in de hemel was. ‘O nee’, zei mijn ‘bijbelgetrouwe’ makker, ‘dieren hebben geen ziel’. Misschien had hij gelijk, dacht ik, maar waarom nare mensen wel in de hemel en dat lieve beest niet?

Dierenhemel

De bioloog Frans de Waal publiceerde recent een boek waarin hij schrijft dat vrijwel alle menselijke emoties ook bij zoogdieren voorkomen. De vraag hoe wij met dieren omgaan krijgt hiermee een nieuwe urgentie. Of ze in de hemel komen weet ik niet, maar we mogen hun leven in ieder geval niet tot een hel maken.

“Twee poezenzusjes van wij. Ze waren onafscheidelijk”

Ik denk wel eens dat God engelen vermomd als hond of poes onder ons zendt. Als mijn moeder huilde, kwam mijn hond en likte haar handen. Hij kon troosten, waar mensen soms wat stuntelig roepen: ‘Trek het je niet aan’. Toen ik weduwnaar werd veertien jaar geleden, kwamen mijn poezen op het lege kussen naast mij liggen. ‘Het is niet goed dat een mens alleen is’, begrepen zij beter dan menige trooster die zijn belofte niet na kwam.

Twee poezenzusjes van zes weken hadden wij, toen we in de Goudenregenstraat gingen wonen (zie foto). Onafscheidelijk waren ze: samen op het kussen in de stoel, samen in de zon, als twee kleine sfinxen op de tafelrand, wachtend op wat overschoot. De avontuurlijkste van de twee was op een onbewaakt ogenblik verdwenen. Ze werd dood in een naburige tuin gevonden. Zus Roosje was duidelijk van slag en richtte haar affectie op mij.

‘Sprekende’ poes

Niet alleen op mij; de kleinkinderen, de visite, ze wond ze allemaal om haar poot. Ze zat op schoot voor je er erg in had, liet zich op haar buik aaien, stak geen nagel uit. Nou ja, helaas was ze minder zorgzaam met enkele antieke stoelen.

Bijzonder was ook dat ze een ‘sprekende’ poes werd. Als ik thuis kwam, werd ik luid verwelkomd. Op mijn tegengroet kwam er dan weer een octaaf lagere opmerking in de sfeer van: ‘Lang weg hoor.’ Scheen de zon in de tuin, dan liep ze mauwend rond, totdat wij een lekker kussentje gebracht hadden.

Helaas, deze week mauwde mijn achttienjarige vriendin alleen nog maar: ‘Help me.’ De dierenarts had gedaan wat hij kon en deed nu wat gedaan moest worden.

Ik hield haar vast en spinnend sliep ze in. Zou er dan toch een dierenhemel zijn?

Tekst en foto: Rob van Essen