‘Ik wilde de ideale monnik zijn, maar ik ben geen engel’

Kloosterbroeder Marie-Thomas voelt zich soms een eenzame cowboy die tegelijk de wijde wereld als een belofte voor zich ziet. Hij leerde veel toen hij een paar dagen als kluizenaar in afzondering leefde.

De Broeders van Sint Jan in de Oude Molstraat (binnenstad) hebben de maandag tot hun woestijndag verklaard, wat betekent dat ze die dag ieder alleen en in stilte doorbrengen. Broeder Marie-Thomas vertelt dat hij het daarmee niet altijd gemakkelijk heeft. ‘Soms vind ik het moeilijk om die dag in te vullen. Het alleen zijn is dan een beproeving. Ik heb de negatieve kant ervan ervaren toen ik één jaar in het noviciaat zat [proeftijd voor religieuzen, red]. Wij kregen een tijd van woestijn in de Franse Alpen en daar kon je ook een aantal dagen als een kluizenaar in afzondering leven. Ik vond het mooi om dat te ervaren en maakte een rooster voor mezelf: ik wilde de ideale monnik zijn. Maar ik ben geen engel. Na die tijd in de kluis lukte het me niet meer om te slapen en werd ik terug naar mijn ouders gestuurd. Ik werkte een paar weken op het land bij mijn ouders en daarna moest ik mijn oude beroep als belastinginspecteur weer uitoefenen. Dat heb ik twee jaar gedaan en daarna kon ik terug komen in het noviciaat. De les die ik uit die periode geleerd heb is dat het er eerst en vooral om gaat je te laten beminnen, te beseffen dat je aanvaard wordt zoals je bent, dat je geen prestatie hoeft te leveren en dat het ook belangrijk is om iets voor anderen te betekenen.’

Paard

‘Alleen zijn is ook aantrekkelijk. Ik voel mij aangesproken door de stripheld Lucky Luke, die zingt: I am a poor lonesome cowboy, I’m a long long way from home. Gelukkig heeft hij zijn paard als metgezel: My horse and me keep riding into the setting sun. Met dat beeld voel ik verwantschap: Lucky Luke die met zijn paard naar de ondergaande zon vertrekt.’ Marie-Thomas lacht jongensachtig en maakt een breed armgebaar om de horizon en de wijde wereld aan te duiden.

In de tijd dat hij uit het noviciaat was, heeft hij ook nagedacht over de vraag of hij niet liever zou trouwen, een gezin stichten. Uiteindelijk is dat het niet geworden en bleef hij trouw aan zijn roeping. Over het celibaat zegt hij: ‘Als je celibatair leeft moet je dat bij voorkeur in een gemeenschap doen. Daar zijn je medebroeders die het zien als het niet goed met je gaat. Maar het celibaat is voor ons wel een dagelijks offer. Je neemt niet alleen afstand van seksuele relaties, maar ook van andere lichamelijke contacten. Familie is daarom belangrijk, met hen kun wel eens een knuffel uitwisselen.’

Donkere nacht

‘Eenzaamheid is voor mij verbonden met de vrees voor de dood. Sterven doe je alleen, ook al is er iemand bij je. Dat beleef ik in het klein iedere avond als ik in mijn cel ga slapen. Het moment dat je bewustzijn wegvalt is de kleine dood van het slapen gaan.Na de Completen, het nachtgebed, zingen we het Salve Regina: moeder Maria, die ook in de donkere nacht en in het uur van onze dood bij ons is.’

Tekst en portretfoto: Greet Kappers