Het staat in de sterren geschreven

Al eeuwenlang kijken mensen naar de sterren. Maar astronomen, kunstenaars, geliefden – ze zien niet allemaal hetzelfde. Ook vanuit de theologie is er in de loop van de eeuwen op heel verschillende manieren naar de sterren gekeken.

Twintig minuten na lancering moesten we hem langs zien komen, de bemande Dragon 2 van Elon Musk. We waren vast niet de enigen op de uitkijk.

Tientallen eeuwen al kijken mensen omhoog en verwonderen zich. Maar ze zien niet hetzelfde. Een astronoom ziet planeten, sterren en kometen, bestudeert hun baan en berekent hun afstand. De rockmuzikant Moby maakt een album: ‘We are all made of stars’. Mensen met siderofobie dúrven niet eens omhoog te kijken. Een verliefde jongen ziet een vallende ster en doet een wens. Hij weet dat het bijgeloof is, maar stel…? Menigeen die een astrologische rubriek leest lijkt op die jongen: ‘Als het lot mij deze week nu eens welgezind is?’ Boeiend is trouwens dat de astrologie niet naar boven kijkt of in de toekomst, maar naar het verleden. De dierenriem met de twaalf sterrenbeelden weerspiegelt de sterrenhemel die in tweeduizend jaar een heel sterrenbeeld is opgeschoven. Wie een Ram (22 maart-20 april) meent te zijn, hoort eigenlijk bij de Vissen.

Hemelse machten

Zo’n 4000 jaar geleden begon men in Mesopotamië de hemellichamen te bestuderen. Die werden toen vooral gezien als machten die de natuur beïnvloeden. Regen, vruchtbaarheid, droogte: je kon het aflezen aan een kleurverandering, een verduistering, et cetera. Later worden ze gezien als manifestaties van de goden. In Ur der Chaldeeën, waar Abraham vandaan kwam, was de maan (Sin) de oppergodin. In de avondkoelte gaf ze de karavanen licht en de kalender werd in maanjaren verdeeld. Elke maand duurt ongeveer 29½ dag. Het is nog steeds de basis van de joodse en islamitische kalender.

De Babyloniërs verbonden de planeten met de verschillende goden die men kende. Goden waar de staatsmacht op gefundeerd was. Marduk, de oppergod, is er de beschermheer van Babylon, de hoofdstad van het rijk. Zijn planeet krijgt in de Romeinse tijd de naam Jupiter, de god van de hemel en het onweer. De planeet van de Babylonische oorlogsgod Nergal, wordt door de Romeinen Mars genoemd. De Sumeriërs bouwden al terrasvormige torens (ziggurat) waarop de goden vereerd werden. Als in het begin van de Bijbel over de ‘torenbouw van Babel’ gesproken wordt, zullen de Joden in hun ballingschap aan zo’n ziggurat gedacht hebben. In het eerste Bijbelboek wordt fijntjes afgerekend met de hoogmoed van de torenbouwers. Babels ‘goden’ – zon, maan en sterren – zijn op de eerste bladzijde van de Bijbel al gedegradeerd tot ‘lichten aan het hemelgewelf’. Uiterst nuttige lampen, maar niet nodig daarvoor op hoge torens te klimmen.

Een woord voor onderweg

Als aartsvader Abraham op weg gaat, door een Stem gestoord, zoekt hij zijn zekerheid niet in het gesternte. Maar wel licht het hem bij met een belofte: ‘Zoveel sterren als je ziet, zo groot wordt je nageslacht’, sprak de Eeuwige. Uit vertrouwen leven staat in het Oude Testament haaks op het raadplegen van sterrenwichelaars. Afgoderij is het. ‘Naar de sterren staren, de hemel uitleggen’, het is ook nutteloos, schrijft de profeet Jesaja. Maar de geschiedenis kent vreemde kronkelwegen. Van Babylonië vindt de astrologie haar weg naar India en China (waar het staatswetenschap was). In het hindoeïsme kent men nog steeds de Vedische astrologie. Maar zij gaan daarin geheel eigen wegen. Via de Grieks-Romeinse beschaving werd de astrologie populair bij de drie monotheïstische religies. In de bloeitijd van de astrologie hielden geleerden van naam zich ermee bezig. Geschriften van islamitische astrologen werden in de negende eeuw zelfs uit het Arabisch in het Hebreeuws vertaald! Maimonides (1138-1204), Joods wijsgeer en arts, stond eenzaam in zijn verzet ertegen. Hij noemde astrologie ‘de ziekte van de wetenschap’. De Joodse wens ‘Mazzel Tov’ (goed gesternte!) is een laatste herinnering aan die astrologische dwaalweg. Wellicht zou ook Maimonides ons nu ‘mazzel’ toewensen. Zelfs aan het hof in Rome werd de paus door een astroloog geadviseerd. Voor Luther, de reformator, reden temeer om Vaticaanse wijsheid te wantrouwen. Maar Luthers rechterhand, Melanchton, waardeerde astrologie positief. Uiteindelijk raakt de astrologie als wetenschap uit de gratie, dankzij Copernicus (1543) die aantoonde dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is. En in jodendom, christendom en islam ging men astrologie als verwerpelijk ‘bijgeloof’ zien. Theologisch is daar vast goed over nagedacht. Maar zonder een woord van afkeuring vertelt de evangelist Matteüs dat de magiërs uit het Oosten (Babylonië?) dankzij een ster Jezus vonden. Gelukkig wint de verbeelding het soms van de theologie. Mazzel tov!

Tekst: Rob van Essen