Kaaskop op Bali

Als nuchtere Hollander op Bali wonen; het zijn twee uitersten die goed samengaan. De cultuurshock is zo groot dat het haast lachwekkend wordt, zoals je op de kermis gehusseld raakt in duizenden kleuren, gekmakende lichten en rare herrie.

Ik ben vormgever van tijdschriften en zat in Den Haag vanuit mijn huurflatje al jaren mijn fijne werk te doen, verlangend naar exotische oorden en extreme belevingen. Er zaten weken bij dat op en neer naar Albert Heijn het verzetje van de dag was.

Mijn sociale leven bestond uit de hele dag online contact hebben met vrienden in het buitenland. Waarom zou ik eigenlijk niet een flatje huren op Bali, waar ik al jaren graag kom en een grotere vriendenkring heb dan in Nederland?

Met een goede laptop heb ik het gewoon maar eens geprobeerd: midden in een drukke deadlineperiode naar Bali vliegen en daar mijn werk doen op een hotelkamer met feilloze wifi. Bij terugkomst vroeg ik aan mijn klanten of zij er iets van hadden gemerkt dat ik niet in Nederland was tijdens de laatste editie van het blad in kwestie. Hè, was je niet in Nederland? Waar was je dan? Op Bali! Nee, niemand had er iets van gemerkt. Toen heb ik de knoop doorgehakt en ben ik drie jaar geleden geëmigreerd naar het eiland van de goden, zoals Bali wordt genoemd.

Deze bijnaam heeft Bali te danken aan de onvoorwaardelijke prioriteit die het geloof hier heeft. Balinees hindoeïsme uit zich op alle uren van de dag, op alle mogelijke plaatsen, in talloze wonderlijke gewoontes en gebruiken. De weldaad voor de buitenstaander is de voortdurende streling van de zintuigen. Dat zijn wij in Nederland niet gewend, zulke heerlijke geuren, geluiden, kleuren, bloemen, schitterende tempels, optochten en feestdagen die weken kunnen duren.

‘Waar is dat dan allemaal voor?’ hoor ik mezelf vragen, ‘moet ik dat niet eens uitzoeken?’ Weet je wat, ik vraag het aan mijn Balinese vrienden, maar die blijken het ook niet te weten. Wel weten ze wanneer ze ergens moeten verschijnen en dan volgen ze gewoon wat iedereen doet. De klerenkasten puilen uit van de schitterende gewaden, voor elke gelegenheid en in alle maten. Maar waarom de dingen gaan zoals ze gaan, dat weten ze niet. Dat is voorbehouden aan de ingewijden, de priesters en andere dragers van het geloof, die je niet in je favoriete beachclub tegenkomt.

Een van de hoogtepunten van het jaar, voor sommigen het dieptepunt, is de nationale Stiltedag, Hari Nyepi: 24 uur waarin geen licht mag worden gebrand en iedereen thuis moet blijven met de gordijnen dicht en zonder tv. Die wordt landelijk afgesloten, geen geluid, duisternis, niemand op straat. Zelfs het vliegveld is dicht. Een corona-lockdown avant la lettre. Alleen de ingewijden in het geloof gaan de straat op om boze geesten van het eiland weg te drijven.

Om die geesten uit hun schuilplaatsen te trommelen, is er de avond daarvoor een hels evenement: het Ogoh Ogoh festival. Metershoge horrorpoppen, prachtig gemaakt maar afschrikwekkend genoeg, worden in elke wijk en in ieder dorp in een nachtelijke optocht met hels kabaal door de straten gedragen. Als je zintuigen een oplawaai nodig hebben, moet je hier bij zijn. Iedereen doet mee, uitzinnig van opwinding en toewijding. Jongeren zijn weken onbereikbaar, uitsluitend in touw met de voorbereidingen voor deze nacht.

Heb ik er nu wel of niet iets mee te maken, denk ik als ik in de pikdonkere Hari Nyepi-nacht stiekem op mijn balkon ademloos naar de sterrenhemel staar, genoegzaam versmolten met de kosmos.

Tekst: Pieter van Schouwenburg is vormgever van Kerk in Den Haag.