Gedenk te sterven, waar hoor je dat nog?

Het leven is eindig en kwetsbaar, ook al worden we daar liever niet mee geconfronteerd. ‘Gedenk te sterven’: waar hoor of lees je dat tegenwoordig nog?

Juni 2005. De tram rijdt zoals altijd richting Duindorp door de Goudenregenstraat. Er staan mensen op de halte. Ik ook. Twee weken geleden werd ik weduwnaar en nu pas merk ik weer iets op van de wereld ‘buiten’. De wereld draait door, maar ik sta stil. Ik erger mij aan twee pubers die elkaar uit evenwicht proberen te duwen. Wat doe ik hier eigenlijk? ‘Je moet verder’, zeiden sommigen. Anderen: ‘Je kunt altijd bellen.’ Ook voor je omgeving is het lastig, geconfronteerd te worden met de dood. In onze cultuur zijn veel taboes opgeruimd, maar de dood is niet van gisteren. Ballonnen bij het graf, een brassband vóór de stoet, ‘we zullen je nooit vergeten’, het is voor even.

Wat blijft is stilte en gemis. En het besef dat we zelf de dans ontsprongen zijn. Een begrafenis als ‘een vermaning’, zoals vroegere generaties zeiden. ‘Gedenk te sterven’, je leest het soms nog op een grafsteen. Wat blijft? Maar in de kerk geloven we toch in het eeuwige leven? Ja, zelfs buiten de kerk hoopt menigeen op een ‘hemel’. Eeuwig een biertje drinken met André Hazes, moeder weer terugzien, herenigd worden met je partner, licht aan het eind van een tunnel. Maar ‘eeuwig leven’ is in het evangelie iets anders dan onze wensdromen voor later. ‘Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord’, schrijft de apostel Paulus. Op de halte van lijn 3 troostte mij de hemel niet en nog steeds kan ik mij er weinig bij voorstellen.

Stervenskunst

Toen de kerk in de Middeleeuwen alle kaarten zette op het hiernamaals – hemel of hel! – was de dood een dagelijkse metgezel. Slechte hygiëne, besmettelijke ziekten, oorlogsgeweld. Uit pastorale motieven verschenen er ‘handleidingen’ over stervenskunst – ‘ars moriendi’. De centrale vraag was: wat blijft? Waar blijft de ziel? In deze coronatijden komt die vraag in alle hevigheid terug. Je kunt zomaar besmet raken. Vandaag een berg beklommen, een week later op de intensive care. Vreemd dat daar een pandemie voor nodig is, want die kwetsbaarheid – en eindigheid – vergezelt ons vanaf onze geboorte. Maar die kwetsbaarheid is ook ons menselijk kapitaal! Kijk eens hoe voorzichtig oma de pasgeboren kleindochter in de armen neemt: in beider zwakheid glanst tederheid. Hoe respectvol wassen verpleegkundigen een patiënt. Ouders horen het beginnend gehuil van hun baby in de nacht. Zeventig tot tachtig jaar is een mensenleven, staat er in de Psalmen. Lévenstijd, tijd om te klooien op de tramhalte, een vak te leren, de tuin te doen of een ‘bakkie te doen’ op de koffieochtend. Modellen lijmen, helpen bij de voedselbank. Alles wat ons kwetsbare bestaan glans geeft. Dát blijft. Komt terug als een zoete herinnering, wordt doorverteld door wie met je meeliepen. De vraag is niet hoe en óf we doodgaan. Straks zijn we, zoals ze in Twente zeggen, uit de tijd. Maar het leven zelf is genadetijd: mensen aan elkaar gegeven in een dans van loslaten en aantrekken. Eeuwig leven is overwonnen angst. Met een oud lied: ‘Rust mijn ziel!’ In onze kwetsbaarheid, zo zingen en geloven we in de kerk, draagt ons de Eeuwige. Dat blijft.

Tekst: Rob van Essen