Wie niet in een mal past, krijgt een label

Onze tolerantie voor verschillen tussen mensen lijkt alsmaar kleiner te worden. Steeds meer gedragingen bestempelen we als afwijkend en het aantal kinderen dat een ziektestempel krijgt, neemt toe. Dat is zorgelijk, want zo geven we ze de boodschap dat ze niet goed genoeg zijn.

Columbus smijt de deur van mijn leslokaal achter zich dicht. Als docent op een middelbare school heb ik vandaag mijn wekelijkse mentoruur: ik praat bij met leerlingen die het moeilijk hebben. ‘Fuck dit, mevrouw!’ Met trillende handen en stem gooit de jongen het doosje oxycodon op mijn bureau. ‘Denken jullie volwassenen mij gek te kunnen maken?!’ In zijn ogen zie ik een vulkaan op uitbarsten. ‘Eerst was ik depressief, dan bipolair en sinds gisteren schizoaffectief. En jullie willen mijn pijn stillen met dit vergif, dat mij misselijk, duizelig en verslaafd maakt? U wilt vast weten waarom ik vaak afwezig ben. Ik ben hersendood, mevrouw. Waarom behandelen jullie jongeren zo?!’

Het lijkt of ik ieder jaar meer leerlingen als Columbus tegenkom. Zijn vraag houdt mij bezig, want als puber kreeg ik ook de nodige diagnoses: autismespectrum, Asperger en tot slot hoogbegaafd. Aanvankelijk gaven die etiketjes troost. Ik wist waarom ik afweek, waarom ik mij stoorde aan de wereld. Ook kon ik daarmee verklaren waarom ik worstelde met de regie van mijn ouders: ik was ziek, wist dus niet wat goed voor me was. Mijn ouders, die hun scheiding voor de rechter uitvochten, hoopten dat ik hun verbrijzelde idealen zou waarmaken.

Die labeltjes boden bovendien bescherming. Wilde ik spijbelen, dan kon ik me erachter verstoppen. Dan dook ik in bed, waar ik – in foetushouding – de geborgenheid en warmte zocht waarmee mijn ouders me ooit verwekt hadden. Net als Columbus overigens.

Maar etiketjes gaan je op den duur tegenstaan. Gisteren vertelde leerling Minka mij: ‘Ik mag niet meer paardrijden, ben van Ramona gevallen. Mijn moeder denkt vanwege ADHD.’ Ze huilde, ze was een label geworden.

374 stoornissen

Gelukkig behandelen lang niet alle ouders hun kinderen als slachtoffer of mislukking. En als je kind een zware vorm van autisme heeft, dan wil én moet je het natuurlijk met de beste medicijnen of therapieën helpen.

Toch lijken wij als samenleving mee te gaan in de medische trend om steeds meer gedragingen als ‘afwijking’ te kwalificeren en met (vaak kwalijke) medicijnen te genezen. Uitgaande van de DSM-5, een wereldwijd gebruikt handboek met 374 psychische stoornissen, is binnenkort een kwart van de Nederlandse kinderen abnormaal. Iemand abnormaal vinden: dat vind ik zorgelijk.

De misschien wel gezaghebbendste Nederlandse deskundige op dit gebied deelt mijn zorg. Micha de Winter, emeritus hoogleraar pedagogiek, adviseert de overheid over jeugd- en gezinsbeleid en opvoedingsvraagstukken. Hij zegt: ‘In het basisonderwijs noemen we 7% van de leerlingen dyslectisch, in het beroepsonderwijs 15%. Het aantal kinderen dat de afgelopen jaren medicijnen kreeg tegen bijvoorbeeld ADHD, is de afgelopen vijf jaar vervijfvoudigd! De boodschap aan duizenden jongeren is: jullie voldoen niet aan de norm. Onze tolerantie voor verschillen tussen mensen wordt steeds kleiner. Pas je niet in een mal, dan krijg je een label. Dat maakt de meesten doodongelukkig. Ze willen geen buitenbeentje zijn, maar gewaardeerd worden om hun eigenheid.’

Dat laatste kan ik illustreren. Op een ouderavond vorig jaar vertelden Luuks ouders me trots dat hun zoon ‘juist vanwege zijn autisme’ met zijn diploma (‘Sorry voor de zesjes’) aan de slag kon bij een ICT-bedrijf, ‘omdat hij goed kan focussen op getallen en algoritmen’. Het bedrijf had bijna alleen maar ‘autisten’ in dienst. Een topsalaris, auto van de zaak, nieuwe liefde: ‘zijn leven was perfect’, zeiden ze.

Maar Luuk dacht daar anders over; hij verhing zich. Lieve pap en mam, schreef hij ten afscheid, als je alles hebt maar toch ongelukkig bent en dat bot afreageert, ben je het leven niet waard. Luuk: hij zal me bijblijven als die razend enthousiaste vrijwilliger in de dierentuin.

Indoctrinatie

‘It takes a village to raise a child’, zegt mijn schooldirecteur wanneer we praten over leerlingen als Columbus, Minka en Luuk. ‘Een kind wordt gelukkig als het in zijn dromen ondersteund wordt door ouders, docenten en andere opvoeders. Maar dat gebeurt niet. Toen we Columbus’ ouders vertelden dat hij door de tekenlessen opleefde en we hun adviseerden om hem voor de kunstopleiding in te schrijven, beschuldigden zij ons van indoctrinatie. Zijn we zelf niet geïndoctrineerd? Kunnen we nog wel kritisch nadenken over het soort burgers dat wij, ook met het onderwijs, willen vormen?’

Het idee dat je kinderen moet leren om voor hun eigen idealen en belangen te strijden, om ze een positief perspectief te bieden, is volgens De Winter totaal afwezig in onze huidige westerse opvoedingsidealen. Soms hebben jongeren die boos zijn of zich niet volgens het boekje gedragen, heel goede redenen om kwaad te zijn, bijvoorbeeld omdat hun dromen naar de prullenbak verwezen worden.

Wijsjes zonder woorden

Bij het vak tekenen gaf mijn collega een les over hoop. Ze vroeg de klas: ‘Wat is hoop? Het woord heeft bij schilders, schrijvers en musici altijd al tot de verbeelding gesproken. Mijn opdracht is: verbeeld zelf iets hoopgevends.’

Terug naar Columbus. Hij is bij mij aan tafel geschoven, het pakje oxycodon ligt tussen ons in. De storm is gaan liggen, er is een traan gevallen en stilte. Ik hervat het gesprek: ‘Stel nou dat je een wens mocht waarmaken. Waar hoop je op?’

Columbus pakt het doosje oxycodon beet, scheurt er stukjes vanaf, gooit ze op. En terwijl hij sliertje na sliertje naar beneden laat dwarrelen, zegt hij:

Hoop is dat ding met veertjes

Dat neerstrijkt in de ziel

Er wijsjes zonder woorden zingt

En nooit valt hij er stil

Hoe hard de wind ook waaien zal

Hoe hevig ook de storm

Hij die zovelen warmte biedt

Dat vogeltje houdt vol.

‘Het is van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson, de vertaling is van Ans Bouter’, zegt hij met fonkelende ogen.

In het tekenlokaal hangt een prachtig schilderij van een duif: een mozaïek van tientallen papiersliertjes. Het vogeltje kijkt vanuit een kleurrijke regenboog neer op een grijze mist van eurotekens. Ondertekend: Columbus.

Tekst: Medien de Mooi