Willem Jansen over ‘onbegrensde’ vrijheid van meningsuiting

‘Het is een worstelwedstrijd met grondrechten voor Arie Slob’, kopte het artikel Laura van Baars op 11 november in het dagblad Trouw. Naar aanleiding van een debat over het vak burgerschapskunde, stond het onderwijs deze week in het hart van een polariserende discussie over grondrechten van geloofsgemeenschappen. ‘Mogen moslimleerlingen zich beledigd voelen over een cartoon? Mogen reformatorische scholen homoseksualiteit afwijzen?’  Van Baars eindigde haar analyse met een citaat van hoogleraar politieke filosofie Rutger Claassen. Hij stelt dat de discussie ‘laat zien dat een meer fundamenteel kader nodig is, waarmee we bepalen welke meningen uit religieuze kring wel verenigbaar zijn met de Grondwet en welke niet’. Dat fundamenteel kader is er volgens mij al ruim 70 jaar met de Universele Verklaring van Mensenrechten.

Op gespannen voet

Religie en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) zijn vreemde bedgenoten. Dezer dagen zijn daar dus twee schoolvoorbeelden van te geven. In de Franse en Nederlandse cartoonkwesties lijkt het recht op meningsuiting (UVRM Art. 19) te botsen met het recht of vrijheid van godsdienst (UVRM Art. 18). En rondom het wetsvoorstel van onderwijsminister Slob over burgerschapsvorming op scholen, kwam ineens een identiteitsverklaring rond homoseksualiteit op reformatorische scholen boven drijven. Daarmee lijkt het recht van ouders ‘om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen’ (UVRM Art. 26) op gespannen voet te staan met het recht niet te worden gediscrimineerd (UVRM Art. 2).

Na een dialoog met zijn collega bewindslieden moest de minister een dag later op die botsing van rechten terug komen. ‘Onderwijsvrijheid is onderschikt aan het discriminatieverbod’, zeiden zijn VVD-collega’s. D66 twitterde dat vrijheid van onderwijs geen vrijheid om te discrimineren betekent. Iedereen mag zichzelf onbegrensd ontwikkelen tot wie zij/hij is, legde Slob een dag later ruimhartiger uit, ook de homoseksuele jongere. De intentieverklaring op Reformatorische scholen staat inderdaad haaks op wat te lezen staat in maar liefst drie artikelen van de Universele Verklaring. ‘Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid’ (UVRM Art. 26). Vergelijk dat met Art. 22 en 29 waar gesproken wordt over de vrije ontplooiing van ieders persoonlijkheid.

Onbegrensde vrijheid?

Met het UVRM hebben we een ideaal raamwerk in handen om botsende mensenrechten in de klas aan de orde te stellen. In de globaliserende samenleving is het klaslokaal bij uitstek het laboratorium om de dialoog te oefenen met de super-diversiteit in culturen, levensbeschouwingen én de seculiere mensenrechten. Hoe verhoudt zich het recht op vrijheid van meningsuiting (Art. 19) tot het recht ‘de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden’ (Art. 18)? Bestaat er zoiets als een onbegrensde vrijheid om wat voor anderen heilig is te beledigen? Cartoons roepen blijkbaar bij de één beelden op van terrorisme, bij de ander gevoelens van moedwillige kwetsing en ongelijkwaardige behandeling.    

Meer dan 120.000 Nederlandse moslims reageerden op de commotie rond de cartoon en tegen de achtergrond van de onthoofding van docent Paty, met het opstellen van een petitie om blasfemie strafbaar te stellen. En dat terwijl de wet op godslastering in Nederland sinds 2014 is geschrapt. Achterliggende gedachte daarbij lijkt dat het recht op vrije meningsuiting geen vrijbrief kan zijn voor een onbegrensde recht op zielen te trappen. Anderen vinden een petitie over blasfemie een bizarre reflex en een extra mes in de rug van een onthoofde docent. Door fysieke bedreiging van een docent wordt het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van een persoon (UVRM Art. 3). Een docent moet cartoons kunnen tonen om het recht op vrije meningsuiting te illustreren, zonder dat zij haar leven daarmee op het spel zet. Punt.

Jammer, gekaapt

Dit jaar vieren we 75 jaar Verenigde Naties. Een van de belangrijkste VN-doelen was het beschermen en verbeteren van mensenrechten. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948) zag drie jaar later het licht. De opstellers van de 30 artikelen van de Verklaring wilden dat het document in eerste instantie een educatief middel zou zijn voor alle mensen waar ook ter wereld. Daarom moesten de artikelen kort en bondig zijn en voor de gewone vrouw en man te begrijpen zijn. Het is jammer dat deze oorspronkelijke pedagogische doelstelling naar de achtergrond is verdwenen.

Juristen en politici hebben sindsdien het document gekaapt als basis voor internationaal recht, respectievelijk een vorm van mensenrechtendiplomatie. Het zou goed zijn als mensenrechteneducatie daarom weer serieus onderdeel van het curriculum van basis- en middelbare scholen wordt. Nu de wet over burgerschapsvorming door de Kamer is terugverwezen naar de tekentafel, is dit het moment de mensenrechtendialoog daarin dan ook stevig te verankeren. Een organisatie als Amnesty International heeft daar al veel ervaring mee.

In de klas

Met Sinterklaas en zijn pieten dient zich de volgende mensenrechten kwestie al weer aan. Het recht niet te worden gediscrimineerd op grond van kleur (UVRM Art. 2) en het recht van iedereen om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap (UVRM Art. 27), leent zich ook goed voor een dialoog in de klas. Volgens multiculturalisten is de taal van dit artikel echter discriminerend. Het (dominante) culturele leven van de (dominante) gemeenschap, zet volgens hen aan tot assimilatie van culturele minderheden in een Leitkultur. Liberalen blijven liever neutraal ten aanzien van cultuur en religie.

Aan de andere kant zijn de multiculturalisten weer blij met het eerder aangehaalde artikel 26 over het recht op onderwijs: ‘Aan ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven’. Aan deze formulering ging tussen 1945-48 een bijzondere dialoog vooraf tussen met name de Deense, Pakistaanse, Libanese en communistische en (Latijns-)Amerikaanse delegaties. De bijdrage van Beaufort uit Nederland, tegen de achtergrond van Hitler’s indoctrinatie van de jeugd en het verzuilde schoolsysteem, was medebepalend voor de uiteindelijke tekst. Zo zijn de opstellers van de UVRM in 1945 begonnen met een dialoog als vertegenwoordigers van uiteenlopende culturen en religies, tussen antireligieuze marxisten, seculiere christenen, orthodoxe en liberale moslims.

In het debat deze week zeggen sommigen dit recht op vrijheid van onderwijs ondergeschikt te willen maken aan het verbod op discriminatie. Moet onderwijsvrijheid inderdaad worden begrensd? En: moet de wet op godslastering opnieuw ter discussie worden gesteld? Dat lijken mij zaken voor een verhelderende mensenrechtendialoog. Laat die dialoog bij voorkeur breed in de samenleving gevoerd worden. Niet in de laatste plaats als een gesprek tussen docenten burgerschapskunde en aanstormende burgers in onze super-diverse samenleving. Maar dan wel graag een constructieve dialoog met behoud van lijf en leden, habeas corpus!

Auteur: Willem Jansen