In-Druk: De nacht gaat voorbij

Het zal deze Kerst wennen zijn. Geen volle kerken met uit volle borst ‘Ere zij God’. Geen kerstmaaltijden voor eenzame mensen. Geen ‘vrede op aarde’ in een pandemie die angstig en tegelijk opstandig maakt. Geen Sinterklaasintocht, geen AfroPiet, kerkdiensten zonder samenzang, vakantie zonder zonbestemming. Om maar te zwijgen over de mensen die hun baan kwijtraakten, de bordjes ‘te koop’ op vertrouwde winkels en restaurants.

Het is duidelijk dat we sinds maart van dit jaar collectief in een soort rouwverwerking terecht zijn gekomen. In kerstpreken en -meditaties werd nog weleens de indruk gewekt dat met de komst van Jezus Christus alles in kannen en kruiken is. Vrede overspoelde onze harten, het leek of we zweefden als een arend. ‘Davids Zoon, lang verwacht’! Maar Kerst is geen ‘Zwitserleven’-belofte. In de nacht haastten de herders zich naar een stal. Geen aureool rond de voerbak waarin een kind lag. En toch loofden ze God toen ze naar hun kuddes teruggingen. Dat was niet om wat ze gezien hadden, maar om wat eraan voorafging. Welk mens is niet ooit op kraamvisite geweest. Dan is er vertedering en je verheugen met de ouders. Overal waar kinderen geboren worden, of dat nu in een nette flat is of in een vluchtelingenkamp. Maar in de nachten van Lesbos, van wegschuilen in kelders voor oorlogsgeweld, de nacht van rouw over groot verlies, is er de kreet: ‘O God, wat moet er van dit kind worden?’

Van horen zeggen

Wat opvalt in het kerstverhaal van Lucas: het is niet Maria die de herders vertelt dat Jezus ‘een bijzonder kind’ is. Maria, in haar noodopvang, krijgt het van de herders te horen! Wat de engel in de nacht proclameerde – ‘een redder, de messias, de Heer is geboren’ – krijgt zij te horen. Ook Maria moet het in de nacht van horen zeggen hebben. Zoals wij allemaal met Kerst ‘van horen zeggen’ geloven. Vrede op aarde is geen toestand van welbevinden, het is een oproep! Daarmee zijn Jozef en Maria partners van de Eeuwige geworden, mee geroepen om uit te zien naar het licht. Gewone mensen worden in de Bijbel – en steeds opnieuw – uitverkoren om de vrede te dienen. Dat gebeurt nogal eens in de nacht van oorlog, discriminatie en uitzichtloze armoede. Er staan mensen op die aangezegd hebben gekregen: er is toekomst voor jou en je kinderen. Sta op. Het is je niet toegestaan niet te hopen!

De Bijbel is het boek van licht in het duister. Vanaf de eerste bladzijde tot de laatste. In woorden, beloften en dromen, in gedichten en liederen gaat mensen een licht op. Daardoor zien we ook dat wijzelf vaak verstrengeld zijn met hetgeen we bestrijden. Maar er zijn woorden die een licht op ons pad zijn, uit de nacht vandaan. Onbekenden horen onze schreeuw om hulp en blijken reddende engelen. Geen romantiek van de kerststal bij Lucas. De herders openen de deur naar onze stal: een wereld van buitengeworpen zijn, hulpeloosheid en hongeren naar toekomst. Neurie het maar zachtjes: ‘De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij.’

Rob van Essen