‘Jongeren op drift’ komt op voor dak- en thuisloze jongeren

Door de woningnood in de stad groeien de problemen voor veel dak- en thuislozen in de stad. Dat signaleert Jeroen van Es, die het project ‘Jongeren op drift’ van het Straat Consulaat begeleidt. Daarmee ondersteunen jongeren, die uit ervaring weten hoe het is om op straat of in de noodopvang te leven, leeftijdsgenoten van 18 tot 27 jaar.  Jongeren verblijven nu veel te lang in de noodopvang en komen niet tot rust, ziet Van Es.

Wat doen jullie vanuit dit project voor de jongeren?

Van Es: ‘We hebben sinds september een spreekuur bij het JIP, het Jongeren Informatie Punt. Ik doe dat samen met een ervaringsdeskundige vrijwilliger, wat toch wel uniek is. Tijdens dat spreekuur kunnen de vrijwilligers advies en informatie geven aan de jongeren, over waar ze terechtkunnen, maar ook bijvoorbeeld over hoe het er in de daklozenopvang aan toegaat. Er was laatst een meisje dat niet naar de meidenopvang wilde omdat ze dacht dat iedereen daar verslaafd was. Onze vrijwilliger kon uit eigen ervaring vertellen dat dit beeld niet klopt. Een vrijwilliger kan ook mee naar het daklozenloket. De jongere doet daar zelf zijn verhaal en de vrijwilliger bewaakt of het gesprek goed verloopt. Als je bij zo’n loket zit, kan het best spannend zijn om je hele hebben en houden op tafel te leggen. Soms doen ze zich beter voor dan hoe het in werkelijkheid gaat en dan krijgen ze de hulp niet. Wat wij bieden is geen hulpverlening, maar ondersteuning bij de toeleiding naar de juiste hulp.’

De inzet van ervaringsdeskundigheid zit landelijk enorm in de lift. Wat vind je het grootste voordeel?

Van Es: ‘De grootste waarde is dat de ervaringsdeskundige uit eigen ervaring spreekt en dat een jongere het daardoor sneller aanneemt. Dat werkt beter dan vanuit een professioneel kader. Ook is ervaringsdeskundigheid van belang om de urgentie aan bijvoorbeeld een wethouder duidelijk te maken. Het is anders als iemand zelf zegt dat hij ’s morgens om 8 uur de nachtopvang uit moet en dan noodgedwongen uren op een bankje in de kou zit omdat er geen 24-uursopvang is, dan dat ik als hulpverlener vertel dat dit gebeurt. We trainen onze vrijwilligers in gesprekstechnieken en hoe om te gaan met heftige verhalen. Het relaas van een jongere kan best moeilijk zijn om te horen, zeker als je zelf iets dergelijks hebt meegemaakt.’

Wat hebben de jongeren in het algemeen het meest nodig?

Van Es: ‘De informatie die ze krijgen over waar ze terechtkunnen is belangrijk én dat er iemand naast ze staat, maar uiteindelijk is een jongere het meest geholpen met een eigen plek waar hij tot rust kan komen. De noodopvang is meestal vol, dus er is vaak een wachttijd, maar áls je er zit, zou dat eigenlijk maximaal drie maanden moeten duren. In die tijd kan bepaald worden welke stappen er moeten worden gezet. Maar door een tekort aan betaalbare woningen zitten jongeren nu wel één tot twee jaar in een nachtopvang met tien anderen op een slaapzaal. Dat is veel te lang, er is geen privacy, je komt niet tot rust doordat er om je heen constant iets gebeurt. Na een maand of vier, vijf komt er vaak een breekpunt. Je zit daar in de overleefmodus en je kunt dan niet goed werken aan je herstel.’

Wat doet dit werk met de vrijwilligers?

Van Es: ‘Je ziet bij ons de vrijwilligers als mens vaak enorm groeien. Ze worden gehoord, gezien, serieus genomen. Dat ze weer iets voor iemand anders kunnen betekenen, is zingeving voor hen. Het kan best een tijd duren voordat je resultaat ziet, maar als iemand op een gegeven moment een eigen kamer heeft, werkt of een opleiding weer oppakt, dan geeft dat zoveel voldoening!’

Jolly van der Velden

Cijfers en oproep

In de afgelopen tien jaar is het aantal daklozen in Nederland verdubbeld naar circa 40.000. Onder hen bevinden zich veel jongeren. Na hun achttiende verdwijnen de jongvolwassenen uit het oog van de jeugdzorg en andere instanties. Zo’n 12.000 belanden op straat, in de nachtopvang of bij vrienden op de bank. Zonder stabiel woonadres mogen ze geen uitkering of studiefinanciering krijgen, en ontvangen ze geen hulp van ggz-hulpverleners. Ron Staallekker, projectleider cliëntenondersteuning bij het Straat Consulaat, vindt het noodzakelijk dat de Rijksoverheid de gemeenten helpt om dit probleem op te lossen. ‘Het Rijk moet investeren in meer opvangplekken en minder rigide regels. Maar daarmee voorkom je de oorzaken van dakloosheid onder jongeren ook niet mee. Daar is liefde en steun vanuit het gezin voor nodig.’