In-Druk: Woorden met draagkracht

Dit zijn dagen om vooruit te kijken en op betere tijden te hopen voor ons allemaal. Geen ‘kom niet te dichtbij’ meer. Geen gedoe in kerken met pijlen en linten, mondkapjes, behelpen met brood en wijn. Geen condoleren op afstand en alsjeblieft weer een huis vol visite! Dit alles geschreven, zet ik even de klok een paar jaar terug.

Uit mijn eerste gemeente belt mij een hoogbejaard gemeentelid. Vijfentwintig jaar geleden zag ik haar voor het laatst. ‘Rob, ik noteer wat voor mijn begrafenis. Jij gebruikte altijd zo’n mooie tekst bij een uitvaart.’ Dat moet de ‘absoute’ van Huub Oosterhuis zijn, zeg ik. ‘Om de laatste eer te brengen aan deze mens …’ begin ik. ‘Ja, zo mooi was dat. Kun je die sturen?’ Ik herinner me hoe deze tekst mij in een rooms-katholieke uitvaart, begin jaren tachtig vorige eeuw, trof. Sterke woorden, waarin alles gezegd wordt wat gezegd moet worden. Afkomstig uit een milieu waar formuliergebeden verdacht waren – ‘van een briefje bidden’ – ben ik gaandeweg gewonnen voor ‘sterke’ teksten. Ik denk aan het prachtige avondgebed van Luther: ‘Heer, blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen.’ Na een vergadering verjaagt zo’n gebed alle onrust en gedoe. Een zegen! De apostel Paulus schrijft niet voor niets ‘dat wij niet weten wat wij bidden zullen’. Hij had gelijk, moet ik vaak erkennen. Maar er is een ‘wolk van getuigen’, de levenden en zij die ons voorgingen. Hun gebeden hebben nog steeds draagkracht. Overmant verdriet mij bij een uitvaart, dan hoef ik niet origineel te zijn. Ik grijp naar een ‘sterke’ tekst. Een gebed, een lied, woorden met draagkracht. Aan een graf zeg ik: ‘Zo bestellen wij ter aarde, aarde tot aarde, stof tot stofziende op Hem …’ Bij een Avondmaal aan huis: ‘Het brood dat wij breken …’ Woorden die de zieke verbinden met de vierende gemeenschap in de kerk. We komen niet alleen dicht bij Gods hart, maar ook bij Gods volk. Er zijn collega’s die aan zulke sterke teksten gaan knutselen. Ze zijn bang voor herhaling, voor sleur.

Alsof originaliteit zonder draagkracht niet snel in sleur kan veranderen. Het is december in coronatijd en de telefoon gaat. Mijn bejaarde ‘absoute-dame’ is opgenomen in een verpleeghuis. De dementie maakt het haar onmogelijk om op zichzelf te blijven wonen. Een vriendin vraagt of ik wellicht een keer op bezoek wil gaan. ‘Ze heeft het steeds over jou, wat er sindsdien gebeurd is raakt ze kwijt.’ Na overleg met een nicht zit ik op haar kamer en er is herkenning! ‘Wat hadden we het goed’, zegt ze. ‘Zal ik bidden?’, vraag ik me af. ‘Komt dat wel binnen?’ Ik breng haar, achter de rollator, naar de conversatie-zaal. ‘Zal ik je een zegen geven?’ vraag ik aarzelend. ‘Dat is goed’, zegt ze en buigt haar hoofd. Ik leg mijn hand op haar hoofd – gelukkig zijn we alleen – en spreek de priesterlijke zegen uit. Van dat behoeden en dat Aangezicht dat je toe glanst. Na mijn amen glanst ook haar gelaat. Mooi toch, die woorden met draagkracht. Nu zeker vasthouden.

Rob van Essen