Opkomen voor het recht

Journalist en gabber van mensen die onrecht is aangedaan. Onschuldig veroordeelden, nabestaanden die op hem hun hoop gevestigd hadden. Met geloof had hij niet zoveel meer, maar van huis uit wist hij van verzet en de passie voor recht. Peter R. de Vries, met respect gedenk ik hem. Onvermoeibaar bepleitte hij dat we naar de verhalen van slachtoffers moeten blijven luisteren om hen recht te doen.

Door: Rob van Essen

‘Den Haag, den Haag, de weduwe van Indië ben jij’, zong Wieteke van Dort. De tekst en de melancholische melodie raakten zelfs bij mij een snaar. Heimwee naar een land waar mijn familie nooit iets mee heeft gehad! Wel herinner ik mij uit mijn jeugd, dat er thuis van ‘halfbloeden’ gesproken werd. Ik was ook jaren bevriend met de zoon van een ‘Indo’, die verwond was door racistische bejegening in zijn jeugd.

Het boek Roofstaat van Ewald Vanvugt had er al voor gezorgd dat ons koloniale verleden voor mij van z’n ‘Zwitserleven’ imago was ontdaan. Maar het magistrale boek Revolusie van de Belgische auteur David van Reybrouck heeft onze betrokkenheid bij ‘de gordel van smaragd’ definitief van elke glans beroofd. ‘We hebben er ook veel goeds gedaan’, placht een vriend, die daar als zendingsarts werkte, mij wel tegen te werpen. Ik kon dat nooit helemaal ontkennen.

Velen die naar de Oost gingen waren van goede bedoeling vervuld. Maar ze gingen wel deel uit maken van een koloniale structuur die ten diepste racistisch was en niet zonder geweld gehandhaafd kon worden. De  ‘inlanders’, ‘Indo’s’, ‘contractarbeiders’ en de koloniale bovenlaag leefden in verschillende werelden en hadden andere (voor)rechten. Van Reybrouck gebruikt daar het beeld voor van een pakketboot met drie dekken, waarbij het bijna onmogelijk was van het onderste dek omhoog te klimmen. O ja, ‘we’ deden ook goede dingen. In de 19e eeuw voerde Nederland een onderwerpingspolitiek waarbij honderdduizenden op Bali en Atjeh door geweld en honger stierven. ‘Pacificatie’ werd dat genoemd, maar uiteindelijk ging het om grote economische belangen. Wat Revolusi zo indringend maakt zijn de gesprekken met nog levende ooggetuigen. Reybrouck vond ze in Nederland, Japan, Thailand en Indonesië. Hun verhalen trekken je al lezend de geschiedenis in, terwijl de schrijver je niet hinderlijk moralistisch voor de voeten loopt. Zo begrijp je hoe de koloniaal tot bezetter werd en je beseft hoe ontmenselijkend een samenleving is waarin fundamentele mensenrechten met de voeten getreden worden. Revolutie, niet alleen in Indonesië, maar in alle de naoorlogse koloniale gebieden, verspreidde zich als een vuurbrand. 

Het is jammer dat van Reybrouck geen letter schrijft over de rol van zending en missie. Natuurlijk, enerzijds sanctioneerden zij het koloniale avontuur. Maar zeker in de twintigste eeuw waren mensen als Hendrik Kraemer en Jo Verkuyl luizen in de pels van de Nederlandse politiek in hun pleidooi voor zelfstandigheid van Indonesië. Opkomen voor het ‘recht van de arme’ is fundamenteel in de Bijbel. Als koningschap in Israël al ergens goed voor was, dan wel om het recht van kleine mensen te verdedigen! Nog onder de indruk van Revolusi, hoorde ik van de moordaanslag op Peter R. de Vries.

Journalist en gabber van mensen die onrecht is aangedaan. Onschuldig veroordeelden, nabestaanden die op hem hun hoop gevestigd hadden. Met geloof had hij niet zoveel meer, maar van huis uit wist hij van verzet en de passie voor recht. Peter R. de Vries, met respect gedenk ik hem. Onvermoeibaar bepleitte hij dat we naar de verhalen van slachtoffers moeten blijven luisteren om hen recht te doen.

Rob van Essen