Een vrolijk festival met bezorgde ondertoon

Op zaterdag 4 september is het feest in de tuin van het Stadsklooster, met kleinkunst, muziek, poëzie en filosofie. Het maakt deel uit van het Fête de la Nature, een grassroots natuurfestival dat in heel Nederland wordt gevierd.

Op het oog is het Fête de la Nature een onbezorgd tuinfeestje van een stel bevriende artiesten en een handjevol toeschouwers, gedrenkt in de weemoed van een nazomerdag. Maar er is meer aan de hand. ‘De wijze waarop de mens met de natuur omgaat, is niet zachtzinnig. Daar maak ik me zorgen over.’ Het anders zo goedlachse gezicht van troubadour Martijn Breeman staat ernstig. Zojuist heeft hij het Fête de la Nature meer of minder serieus omschreven als een gelegenheid om zichzelf en zijn vakgenoten – dichters, muzikanten, cabaretiers – een podium te bieden. En met de uitspraak ‘Iedereen kan een natuurfeestje organiseren’ probeert hij te voorkomen dat hem als organisator al te veel lof wordt toegezwaaid. Maar hier staat een man die daadwerkelijk bezorgd is over de staat waarin natuur en milieu anno 2021 verkeren. 

Luister maar eens naar zijn ‘Lied van de schone aarde’:
Dus ik vecht voor haar recht
En ik streef zolang ik leef 
En ik streef zolang ik leef

Bitterzoet klinkt de ballade door de kloostertuin, waar vlinders en libellen rondvliegen, de zon goedmoedig schijnt en de grote boze buitenwereld ver weg lijkt. Dat laatste is natuurlijk schijn. Niet voor niets begint folksinger Hanneke Laura haar optreden met ‘The times they are a-changin’ van Bob Dylan, een tijdloze herinnering aan het feit dat niets in het leven lang bij het oude blijft.

Ontwrichting

Uit vrijwel iedere bijdrage van de artiesten of sprekers blijkt dat ze Breemans bezorgdheid delen. Goed, de nummers van Dolly Parton die Laura na haar serieuze start over het gazon laat galmen zijn niet meer dan good old country comfort, waarop je als publiek nijver kunt meeklappen. Maar special guest Christine Teunissen zingt niet alleen een aardig moppie, tijdens haar redevoering wat later komt het Tweede Kamerlid namens de Partij voor de Dieren bepaald niet jolig uit de hoek. Zonder aarzelen stort ze alarmerende cijfers over haar gehoor uit. Volgens Teunissen bestaat twee derde van het Nederlandse grondgebied uit landbouwgrond en is er op het platteland veel van hetzelfde te vinden: vergeleken met zo’n honderd jaar geleden is er nog maar twintig procent van de insecten en vijftien procent van de biodiversiteit overgebleven. ‘Het grootste probleem van deze tijd is de ontwrichting van de ecologie’, stelt Teunissen. 

Geen vrolijke mededeling, maar de stemming onder het publiek lijkt er niet onder te lijden. Bezoekster Tineke Arbacht omschrijft de sfeer als ‘heel aangenaam’. ‘Het is heel plezierig, heel harmonisch.’ Volgens Arbacht is het aanwezige publiek ‘speciaal’. ‘Mensen die toch wat bewuster denken en van kunst en cultuur houden.’ Inderdaad verklaren twee dames de reden van hun komst met ‘lekker iets cultureels doen’.

Broeder Frans Wils, medeorganisator en kloosterbewoner, rommelt met het verlengsnoer voor de microfoon en geeft een rondleiding langs de bric-à-brac in de kloostertuin. Drank en thee en koek op een gammele tafel zijn verkrijgbaar voor een grijpstuiver. Misschien heeft zelfverklaard botanisch filosoof Norbert Peeters wel gelijk met zijn stelling dat tuinen ‘gekke ontmoetingsplekken van mens en natuur’ zijn. Peeters breekt een lans voor het onkruid van deze wereld en citeert Remco Campert: ‘Dodelijk de tuin waar onkruid niet gedijen mag.’ Het is een treffende analogie voor de verkilde, versteende en onverschillige maatschappij en het broodnodige menselijke onkruid van deze middag.

Matthijs Termeer